Spaanse antiterreurwetten Bron: Cahiers “Van Hamel': “Terrorisme, Europa en strafrecht” De Spaanse antiterreurmaatregelen werden in het leven geroepen als werktuig tegen het terrorisme in Spanje. Deze maatregelen introduceerden substantiële veranderingen in de procedure van de bestaande strafwetgeving. Het terrorisme uit die tijd, en nog een poos later, was eigenlijk nog min nog meer, alle subversieve activiteit die tegen de staat zou gebruikt worden. De staat zelf stond uiteraard boven alle verdenking. Oorsprong en evolutie De “Ley de 10 de julio de 1894”, de wet van 10 juli 1894: “Betreffende aanslagen tegen personen of berokkende schade door middel van apparaten of explosieve substanties”, wordt algemeen beschouwd als de eerste antiterreurmaatregel. Vanaf 1939 voerde Franco een resem antiterreurmaatregelen door. Naast de informele en ronduit illegale “Paseos” (wandelingetjes met gevangenen die nooit meer terugkeerden) en de “Ley de fugas” (waarbij gevangenen tijdens hun zogenaamde vlucht gedood werden), werkte de dictatuur een heel juridisch dispositief uit: de “Ley de Responsabilidades Políticas” van februari 1939 (wet op de politieke verantwoordelijkheden), de “Ley de Represión de Masonería y el Comunismo” van maart 1940 (wet voor de repressie van vrijmetselarij en communisme), de “Ley de Seguridad del Estado” van maart 1941 (wet op de veiligheid van de staat) en de “Ley de Orden Público” van juni 1959 (wet op de openbare orde). In de Código Penal van 1973 stond te lezen: “Se condena a reclusión menor al que integrado en una banda armada u organización terrorista o rebelde, o en colaboración con sus objetivos y fines, realizase cualquier hecho delictivo que contribuya a la actividad de aquellas, utilizando armas de fuego, bombas, granadas, sustancias o aparatos explosivos, inflamables o medios incendiarios de cualquier clase, cualquiera que sea el resultado producido; y a los promotores y organizadores, y quienes hubieren dirigido su ejecución." Vrije vertaling: “Wordt veroordeeld tot opsluiting hij die geïntegreerd is in een gewapende bende of een terroristische organisatie, of samenwerkt met hun objectieven of doelen, overgaat tot om het even welk misdrijf die bijdraagt tot de activiteit van die organisaties, gebruik maakt van vuurwapens, bommen, granaten, explosieven of brandversnellers, ongeacht het bereikte resultaat; en de promotoren, organisators of leiders van deze misdrijven”. Bij de dood van Franco in 1975 werd ETA de eerste prioriteit voor de regering. ETA had op dat ogenblik al 44 slachtoffers gemaakt. Op 25 april 1975 werd de "Estado de Excepción", de staat van beleg, afgekondigd in de provincies Bizkaia en Gipuzkoa. Op 26 augustus 1975 keurde de regering een hardere antiterreurwet af, het “Decreto-Ley 10/1975”, dat toeliet de volgende dag de weekbladen “Destino”, “Posible” en “Cambio16” te sluiten en de wet uit de breiden met de doodstraf. b. De “Decreto-Ley sobre seguridad ciudadana” Na de goedkeuring van de Grondwet van 1978, bekrachtigde de Bestendige Deputatie van het Congres op 6 februari 1979 de "Decreto-Ley sobre seguridad ciudadana" (Wet op de burgerlijke veiligheid). De socialisten, communisten, Minoría Catalana en PNV stemden tegen en vroegen de afschaffing van de wet, wegens ongrondwettelijk. De Ley 4/1988, wet op de hervorming van de criminele strafvordering, installeerde de verwerpelijke "incomunicación" van een arrestant (zie verder bij “Speciale procedures inzake terrorisme”, paragraaf d, Incomunicación) en verleende aan de Minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid om tussen te komen in alle communicatie van verdachten, zonder juridische autorisatie. Talrijke hervormingen en aanpassingen hebben de huidig geldende “Ley Antiterrorista”, antiterreurwet, gestalte gegeven. Andere antiterreurmaatregelen De antiterreurwet was niet de enige uitzonderlijke maatregel die de Spaanse regering in petto had in de strijd tegen het terrorisme, een netwerk van modificaties, maatregelen en interpretaties werden toegevoegd . De Ley Orgánica 1/92 van 21 februari 1992, ook de “Ley Corcuera” genoemd, naar de socialistisch Binnenlandminister, over de "bescherming van de veiligheid van de burgers", gaf de politie de bevoegdheid om bij een verdachte waarvan men een misdrijf vermoedde, zonder aanwezigheid van een advocaat de woonst binnen te vallen (de wet drukt het uit als 'toegang verschaffen': “el acceso a domicilios privados”), huiszoekingen zonder juridische autorisatie uit te voeren, de identiteitskaart af te nemen en de verdachte vast te houden (wat niet hetzelfde is als opsluiting in de gevangenis). De vaststelling dat “Kale Borroka”, tot op dat ogenblik beschouwd als misdrijf van lage intensiteit, vooral door jongeren gepleegd werd, was de aanzet om de wet te wijzigen in “terrorisme van lage intensiteit” en de rechtszaken te laten verlopen bij de uitzonderingsrechtbank Audiencia Nacional te Madrid. Alles wat met terrorisme of zogenoemd terrorisme te maken heeft, wordt naar die uitzonderingsrechtbank verwezen. Op dit misdrijf van lage intensiteit stonden straffen tot 18 jaar opsluiting. De Ley Orgánica 7/2000 “Responsabilidad Penal de los Menores”, is er een vervolg van. De "Wet van de (strafverantwoordelijkheid van de) Minderjarige" trad in 2001 in werking. Het gaf de Staat de gelegenheid de ouders te laten opdraaien voor de schade van de "Kale Borroka". Amnesty International waarschuwde voor "de schending van de rechten van het kind." Een volgende aanpassing is het in voege brengen van de "Ley de Partidos", die het mogelijk maakte bepaalde politieke partijen te verbieden, vooral partijen uit de omgeving van Izquierda Abertzale. De “Ley Orgánica 6/2002 de Partidos Políticos”, ook wel de “Ley de Partidos” (Partijenwet) genoemd, werd goedgekeurd op 27 juni 2002. De motivering van de wet luidde als volgt: “De werking van het democratische systeem garanderen door te verhinderen dat een politieke partij, onder welke vorm ook, aanvallen zou lanceren tegen het democratische regime van de vrijheden of steun zou verlenen aan politiek geweld of activiteiten van terroristische organisaties.”
Laten we nu even de normale basisprocedure overlopen van een gewoon strafproces inzake misdrijven. De regels voor deze procedure zijn vastgelegd in de "Ley de Enjuiciamiento criminal", de Wet van Strafvordering, dat bij Koninklijk Decreet werd opgesteld op 14 september 1882, en sindsdien nauwelijks aanpassingen heeft gekend. De politie mag een persoon waarvan vermoed wordt dat hij een misdrijf gepleegd heeft, voorzien in de "Código Penal" (het strafwetboek) oppakken of arresteren ter identificatie. De tijdspanne van de arrestatie is beperkt tot 72 uur. Bij het verstrijken van deze limiet moet de arrestant ofwel worden vrijgelaten, ofwel voor de onderzoeksrechter worden gebracht, die geassisteerd wordt door het Openbaar Ministerie (veelal de Openbare Aanklager). In ieder geval mag de arrestatie niet langer duren dan strikt noodzakelijk om de nodige onderzoeken te doen en duidelijkheid (bewijslast) te scheppen. De arrestant heeft het recht zich te laten bijstaan door een advocaat, naar eigen en vrijwillige keuze, die hem tijdens de verhoren mag bijstaan, of het nu voor de politie of voor de onderzoeksrechter is. Heeft de arrestant geen voorkeur dan wordt een advocaat “turno de oficio” toegewezen: een advocaat die voorkomt op de lijst van het “Colegio de Abogados”. Als de arrestant die advocaat niet kan betalen, wegens onvoldoende middelen, dan draait de staat hiervoor op ("beneficio de la Justicia Gratuita"). De arrestant heeft ook het recht geen verklaringen af te leggen. Indien hij wel akkoord gaat, heeft hij het recht op assistentie van een vertaler. De arrestant kan ook de "habeas corpus" aanvragen: onmiddellijke ter beschikking stelling van een rechter. De advocaat, eigen keuze of uit de lijst, moet waken dat de rechten van de gevangene gerespecteerd worden. De Openbare Aanklager heeft een dubbele functie: garant staan voor de rechten van zowel de arrestant als van de eventuele slachtoffers, en de burgerlijke partij vertegenwoordigen. De onderzoeksrechter beslist over "prisión provisional" (voorlopige hechtenis) in afwachting van het proces, over "libertad sin cargos" (volledige vrijspraak) of over "libertad provisional" voorlopige in vrijheid stelling) onder bepaalde voorwaarden: op bepaalde tijdstippen aanmelden bij de autoriteiten of het betalen van een borgsom. Het gerechtelijke onderzoek is de procedure waarbij de aangeklaagde feiten worden onderzocht en de overeenkomstige bewijslast wordt verzameld. Bij het voleindigen van deze procedure, en er een misdrijf wordt vastgesteld, dan zal de onderzoeksrechter schriftelijk de beschuldigingen en de weerleggingen door de advocaat van de verdediging verzamelen in een zogenoemd "Auto Judicial”, een gerechtelijk dossier, waarbij hij de gerechtelijke stukken overmaakt aan een bevoegd rechter van de “Juzgado de lo Penal” (Strafrechtbank). Deze strafrechter moet dan een datum bepalen voor het proces, de "vista oral" genoemd, waarbij na bewijslast, zonder enige redelijke twijfel, en de pleidooien van de verdediging de "visto para sentencia", het vonnis bekend gemaakt wordt. Als de arrestant wordt veroordeeld, en er volgt geen beroepsprocedure, wordt het vonnis onmiddellijk ten uitvoer gebracht. Bij rechtszaken met voorziene straffen lager dan twee jaar moet de beklaagde niet aanwezig zijn. Speciale procedures inzake terrorisme a. Wie wordt in Spanje omschreven als terrorist. Artikel 571 van het huidige “Código Penal”, strafwetboek daterend van 1995, definieert als terrorist: “Diegene die behoort tot, handelt ten dienste van of samenwerkt met gewapende bendes, organisaties of groepen waarvan het doel is de grondwettelijke orde te verstoren of omver te werpen en de publieke vrede in het gedrang te brengen door aanslagen op gebouwen, infrastructuur, enz. aan de hand van explosieven of brandstichting met risico op letsels of op dood.” Artikel 572 voorziet in bovenstaande gevallen een veroordeling van 20 à 30 jaar (intussen opgetrokken naar 40 jaar) als er dodelijke slachtoffers te betreuren vallen. b. Bevoegdheid Misdrijven die als terrorisme beschouwd worden, worden niet door de normale rechtbanken beslecht. Ze zijn dus niet de bevoegdheid van de “Juzgados de Instrucción” die in alle andere gevallen wel die bevoegdheid hebben, maar exclusief voorbehouden voor de Audiencia Nacional, opgericht in 1977 bij Koninklijk Decreet 1/77 op 4 januari 1977, en gevestigd in Madrid. De Audiencia Nacional houdt zich dus hoofdzakelijk bezig met aan terrorisme verwante misdrijven, misdrijven die vroeger beleschr werden voor militaire tribunalen. Bepaalde juristen spreken dan ook van een demilitarisering, hoewel andere sectoren er de erfenis in zien van de Franquistische militaire rechtbanken "Tribunales Orden Público" (1963-1977). Wie waar ook in Spanje beschuldigd wordt van “Verheerlijking van het terrorisme”, kan zich dus allen in Madrid verantwoorden. c. Arrestatie De detentie die maximum 72 uur mag duren alvorens een arrestant in vrijheid wordt gesteld of voor een onderzoeksrechter wordt gebracht, wordt bij gevallen van terrorisme uitgebreid naar 5 dagen. d. Incomunicación Alle verdachten van terrorisme worden bij hun arrestatie in een toestand van “incomunicación” gebracht die 13 dagen mag duren. Dat betekent veelal: honderdtwintig uren zonder slapen, op een onbekende plaats, zonder bijstand van een vertrouwenspersoon (advocaat of dokter), geblinddoekt en naakt tussen je folteraars die je met zeven tegelijk allerlei vragen en beschuldigingen toeschreeuwen, daarbij voortdurend geslagen worden, met vuisten, telefoonboeken, stokken, regelmatig een plastic zak over het hoofd getrokken krijgen tot tegen de verstikking aan, ontelbare keren ondergedompeld worden in een bad vol uitwerpselen, honderd vijftig keren door de knieën moeten buigen tot aan de volledige uitputting, daarbij omvallen en bij de haren weer rechtgetrokken worden, om opnieuw te beginnen, nat gemaakt worden terwijl je de klemmen van de elektroden hoort knetteren, een revolver die vlak naast je oor wordt afgeschoten of een revolver die op je slaap wordt gezet waarna je enkel een klik hoort, op handen en voeten staan terwijl ze je genitaliën bewerken. Plots bijkomen op een stoel terwijl je polsslag wordt genomen en waarbij je hoort zeggen “hij was bijna weg”. Houding van de Internationale rechtspraak
Alle daden van terrorisme waren, net als de aanslagen op 11 september 2001 (die enkele weken voor deze resolutie plaats vonden), een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid. Volgens het Handvest van de Verenigde Naties had eenieder het recht zich individueel of collectief te verdedigen. Terrorisme moest met alle mogelijke middelen bestreden worden. Men was bezorgd om de opkomst van terrorisme in verschillende delen van de wereld, gemotiveerd door intolerantie of extremisme. Landen werden opgeroepen samen te werken en zelf maatregelen te nemen om terreurdaden te voorkomen en onderdrukken. Alle landen moesten:
Alle landen moesten ook:
Roept alle landen op om:
Resolutie 1535 Veiligheidsraad Verenigde Naties De Veiligheidsraad bevestigde nogmaals dat terrorisme een van de grootste bedreigingen van de vrede en veiligheid vormde. De landen werden eraan herinnert dat maatregelen die ze namen tegen terrorisme overeenstemden met het internationaal recht. Ze werden ook opgeroepen partij te worden van alle internationale verdragen en protocols inzake terrorisme en initiatieven ter zake te steunen. Wat de “incomunicación” betreft, wordt deze maatregel niet uitdrukkelijk verboden, maar er bestaat een algemene consensus tussen de organisaties voor de rechten van de mens verbonden aan de Verenigde Naties, over de kans op ernstige schendingen van de rechten van de mens, en het dus eigenlijk beter verboden was geworden. Europees verdrag voor de Rechten van de Mens
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten Het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is een verdrag van de Verenigde Naties, gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het kwam tot stand op 19 december 1966 en werd van kracht op 23 maart 1976, na ratificatie door 35 lidstaten (ook door Spanje: ondertekening op 28 september 1976 en ratificatie op 27 april 1977). De beschermde rechten van de mens zijn o.a. :
Het UNO-Comité voor de Rechten van de Mens belast met de implementatie van het “Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten” stipuleert in de “Algemene Waarnemingen nr. 20” (1992), beveelt aangepaste maatrefgelen aan tegen de detentie onder “incomunicación”. Deze aanbeveling werd meermaals bevestigd om uiteindelijk te worden vastgelegd in een resolutie in 2003: “Verlengde detentie onder “incomunicación” vergemakkelijkt de toepassing van foltering, een wrede, inhumane en vernederende maatregel”. Het Hoge UNO-Commissariaat voor de Rechten van de Mens verklaart in 2002 diep bezorgd te zijn over de (toenmalige) periode van 5 dagen “incomunicado” (nu tot 13 dagen), en verklaart, zonder zich uit te spreken over de wettelijkheid van het decreet, dat de “incomunicado”-periode foltering en mishandeling in de hand werkt. Ook Theo van Boven, speciale verslaggever voor de UNO, heeft zich meermaals in die zin uitgesproken. (Zie ook: Internationaal protest). Ga verder met 07.Processen |