|
De belangstelling van de Vlaamse nationalisten voor de Baskische beweging groeide vooral na de val van de dictatuur van Miguel Primo de Rivera (*) in 1931. De politieke situatie in Baskenland was toen nogal complex. Er waren drie grote blokken: de katholieke Baskische nationalistische partij, een rechtsmonarchistisch blok en een links antimonarchistisch blok dat versterkt werd door de vrijzinnige Baskische nationalisten. (*) Miguel Primo de Rivera y Orbanejo, markies van Estella (Jerez de la Frontera, 8 januari 1870 - Parijs, 16 maart 1930) was een Spaans militair en politicus. Hij had een briljante militaire carrière. Primo de Rivera streed in Marokko (1895), op Cuba (1895) en in de Filipijnen (1897). In 1900 werd hij generaal. Van 1908 tot 1913 diende hij in Spaans-Marokko. In 1915 werd Primo de Rivera militair gouverneur van Cádiz. In 1922 werd hij kapitein-generaal van het onrustige Catalonië. Spanje ging ondertussen hard achteruit en Primo de Rivera en enkele medeofficieren pleegden in september 1923 een succesvolle coup, waarna koning Alfonso XIII van Spanje Primo de Rivera aanstelde als voorzitter van een Militair Directorium (september 1923; later werd hij premier). Miguel Primo de Rivera beloofde een einde te maken aan de sociale onrust in Spanje en de oorlog in Spaans-Marokko. De monarchie bleef onaangetast, hoewel de koning in feite niets meer te vertellen had. De werkelijke machthebbers waren de leden van het militaire directorium. Aanvankelijk probeerde Primo de Rivera de oorlog in Marokko op te lossen door de kolonie op te geven, doch dit stuitte op weerstand van enkele invloedrijke generaals, zoals Francisco Franco, de latere Spaanse dictator. In 1925 kwamen Spanje en Frankrijk overeen om de opstand in Marokko gezamenlijk aan te pakken en in het najaar van 1925 werd de Berber-leider Abd el-Krim verslagen. (In januari 1926 werd de laatste gearresteerd.) Reeds in 1924 voerde Primo de Rivera (een bewonderaar van het fascistische Italië en van Benito Mussolini) een eenpartijstelsel in, met de "Unión Pattriótica" als enige toegestane partij. De Unión zelf was fascistisch gekleurd en haar voornaamste doel was de eenheid te bewaren in Spanje en saamhorigheid van de klassen (corporatisme). De kritiek tegen zijn regime nam echter toe. Niet alleen de democraten en republikeinen bestreden zijn regime, maar ook binnen de junta zelf nam het ongenoegen over Primo de Rivera's beleid toe. In januari 1930 trad Primo de Rivera af en werd generaal Damasco Berenguer premier. Hij vestigde zich daarna in Frankrijk. Zijn zonen Miguel Primo de Rivera y Saénz Heredia, José Antonio Primo de Rivera (oprichter Falange), Ferdinand Primo de Rivera en dochter Pilar Primo de Rivera (oprichtster 'Sección Feminina' binnen de Falange), speelden een belangrijke rol tijdens het franquistisch Spanje. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1931 hadden de nationalisten de overwinning behaald op het platteland en in de kleine steden. In de grote steden waren het de linkse, antimonarchistische partijen die zegevierden. In Vlaanderen werd aanvankelijk het Baskische autonomiestreven met veel sympathie gevolgd, maar vooral vanaf het uitbreken van de burgeroorlog was de links-rechts polarisatie zo groot in Vlaanderen dat rechtskatholieke en nationalistische kringen de kant van Franco kozen. Het was Moskou of het Vaticaan. De VNV-pers (het dagblad "De Schelde", later "Volk en Staat") stelde de Baskische nationalisten vaak voor als misleiden of cryptocommunisten, terwijl het communistische weekblad "Het Vlaamsche Volk" dan weer wel de zaak van de Baskische autonomie steunde, maar gedeeltelijk om andere redenen. "De Schelde" kon maar weinig begrip opbrengen voor de Basken : "De partijbonzen van de Katholieke Basken hebben zich in hun partijpolitieke waanzin akkoord gesteld met de communisten, om zo, hopen zij, zelfbestuur te bekomen" (november 1936). De opvolger van "De Schelde", "Volk en Staat", zou zich later in nog minder genuanceerde termen over de Baskische nationalisten uitlaten. De algemene stemming in de rechts-Vlaamse pers wordt misschien wel het beste getypeerd door het commentaar van "De Standaard" na het bombardement van Guernica in 1937. President Aguirre had een emotionele oproep gedaan tot alle nog bestaande democratieën nadat de heilige Baskische stad door Duitse stuka's met de grond was gelijk gemaakt. Zijn oproep eindigde met de woorden: "Ons grondgebied werd veroverd, doch niet de ziel van het volk". "De Standaard" daarop: "Er ligt natuurlijk iets ontroerends in dit afscheid van de heer Aguirre. Wij voelen die ontroering ook omdat wij nooit onze sympathie hebben verloren voor het Baskische volk". Die sympathie zal er wel geweest zijn, maar de politieke consequenties werden in elk geval niet getrokken. De Baskische nationalisten hadden zich immers met het goddeloze communisme verbonden en, aldus "De Standaard": "de belangen van het katholieke geloof moeten voor de Basken toch ook van tel zijn" (4 juli 1937). Van een krant die sinds maanden Franco als de door God gezonden redder afschilderde en alle sympathisanten van de republiek (o.m. Camille Huysmans) in de vernieling schreef, kon je moeilijk iets anders verwachten. Polarisatie in de jaren 30 Rechts-nationalistisch Vlaanderen zat met Baskenland in de maag. De oprechte bewondering voor een tot de verbeelding van romantisch Vlaanderen sprekend klein, heldhaftig volk, botste met de gepolariseerde wereldvisie van de dertiger jaren. Die botsing vertaalde zich ook in het blad "Nieuw Vlaanderen", een weekblad van intellectuele katholieke nationalisten, waar rond het thema Baskenland gepolemiseerd werd. Met de val van Gernika was het pleit vlug beslecht in Euskadi. Baskenland viel, twee jaar later was het gedaan met de republiek. Franco hield grote kuis en oefende een schrikbewind uit. Zelfs de Baskische taal werd officieel verboden. De Baskische regering ging in ballingschap naar Parijs, maar dat was maar voor korte duur. Anai Artea Gelijktijdig met de eerste activiteiten van ETA kwam ook een nieuwe vluchtelingenstroom naar België. Krutwig, één van de eerste ETA-ideologen, vestigde zich te Brussel. Een stichter van ETA, Iulen Madariaga, vluchtte uit Frans-Baskenland over Algerije naar ons land en kwam in 1966 in Keerbergen terecht. Hij kwam er in contact met het Vlaams comité voor steun aan nationale minderheden, een comité waarin de Volksuniemensen Walter Luyten en Willy Kuijpers op dat ogenblik actief waren. In het kielzog van Madariaga zouden vooral in het begin van de jaren zeventig vooraanstaan de Baskische verzetslieden zich tijdelijk in Vlaanderen vestigen. Heel wat "historische" leiders van ETA kwamen op die manier met Vlaanderen in contact. Deze kontakten resulteerden in concrete samenwerkingsvormen, vooral op het culturele en het politiekhumanitaire vlak. Zo was in 1973 een uitgebreide Baskische delegatie onder leiding van oud-minister Telesforo Monzón te gast op de IJzerbedevaart te Diksmuide. Het jaar daarop trokken Vlamingen en Friezen naar Frans-Baskenland om er samen met Basken een hongerstaking te houden in de kathedraal van Bayonne, als reactie tegen Pompidou's vluchtelingenpolitiek. Frankrijk wou op dat ogen blik namelijk graag Mirages aan Spanje verkopen, maar moest als tegenprestatie een aantal Basken aan Franco uitleveren. Na een intense internationale campagne ging de koop niet door.
In 1975, terwijl het Franquisme aan het stuiptrekken was trokken Kuijpers en Luyten naar Gernika om er naar aanleiding van de (verboden) Baskische nationale feestdag pamfletten uit te delen op de trappen van de hoofdkerk. Lang duurde de actie niet, want de Guardia Civil greep onmiddellijk in, voerde de Vlaamse actievoerders samen met een journalist van "The Guardian" naar een kazerne waar ze geconfronteerd werden met... Antonio Molina Tejero! Na een paar uur brutaal te zijn behandeld werden de "activistos violentos" het land uitgezet. Solidair met Luis en Rakel Leden en sympathisanten van het Vlaams-Baskisch solidariteitscomité Anai Artea en Ronduit N-VA! voerden actie aan het standbeeld van Egmont en Hoorn in de Kleine Zavel te Brussel. Er vond een bloemenhulde plaats bij het beeld van de twee graven die op 5 juni 1568 op de Brusselse Grote Markt onthoofd werden op last van de ‘Raad van Beroerten’, een speciale rechtbank die de Hertog van Alva in opdracht van de Spaanse koning Filips II had opgericht om rebellen die geheuld hadden met de ketterse protestanten en beeldenstormers te vervolgen. Anai Artea huldigt vandaag deze eerste slachtoffers van de Spaanse repressie bij wijze van protest tegen de mogelijke uitlevering van de Basken Luis Moreno en Rakel Garcia (België en Baskenland) die al meer dan tien jaar door het Spaans gerecht achtervolgd worden. Spanje hoopt dat het Europees Aanhoudingsbevel een uitlevering alsnog mogelijk maakt. Madrid probeert niet alleen de radicale Baskische beweging te criminaliseren, maar doet ook pogingen om iedereen die het voor de slachtoffers van de Spaanse furie opneemt verdacht te maken. |






