27 september 1975 27 september 1975, enkele maanden vóór hijzelf overleed, trakteerde dictator Francisco Franco het Baskische Volk op een laatste lading kogels. Hoewel na het Burgosproces van vijf jaar eerder de doodstraf, uitgesproken tegen zes van de 11 Baskische activisten, werd omgezet, liet Spanje nu 2 ETA-leden (en 3 militanten van FRAP) terechtstellen “om een noodzakelijk voorbeeld te stellen”, aldus Franco. Omdat de beul, José Moreno, uit Sevilla, niet op drie plaatsen tegelijk kon zijn, werd niet gekozen voor wurging zoals twee jaar eerder nog het lot was van Salvador Puig Antich, maar voor een vuurpeloton.
Angel Otaegi Angel Otaegi werd in 1942 geboren in Nuarbe (provincie Gipuzkoa). Op zijn 20ste was hij militant van EGI (de jongerenorganisatie van de toen nog in de clandestiniteit levende Baskische Nationalistische Partij, PNV), waarvoor hij de propaganda verzorgde, maar vrij snel stapte hij over naar het arbeidersfront van ETA. Op 18 november 1974 werd zijn huis door de politie omsingeld. Hij werd, samen met Garmendia, beschuldigd van een dodelijke aanslag op een Guardia Civil in Azpeitia. Tot 15 april 1975 zat hij in de gevangenis van Martutene (Donostia) waarna beiden werden overgebracht naar Burgos voor het proces voor de Krijgsraad. Graf Otaegi in Nuarbe In augustus 1975 kregen Otaegi en Garmendia beiden de doodstraf. Op 26 september ondertekende Franco, zelf meer dood dan levend, het vonnis, samen met dat van Jon Paredes Manot, “Txiki” en drie leden van FRAP. Otaegi werd door de 7 aanwezige politiemannen verplicht in het Spaans afscheid nemen van zijn Baskischtalige moeder. Hij wilde geen biecht, geen begrafenis en de laatste uren bracht hij alleen door omdat hij geen "vertegenwoordiger van het staatskatholicisme" wilde zien. Om 8 u.30 werd Otaegi door vrijwilligers van de Spaanse Politie geëxecuteerd in de tuin van de gevangenis van Villalón (Burgos)Het dorpje Nuarbe werd, bij de begrafenis, door de Spaanse strijdkrachten bezet maar dit belette niet dat de mensen te voet door de bergen een laatste groet kwamen brengen. De Baskische vlag op het graf werd gedurende weken elke dag door de Guardia Civil verwijderd, maar ‘s nachts teruggeplant.
Txiki kwam met zijn ouders erg jong uit Badajoz, waar hij op 20 februari 1954 geboren werd. Uit financiële nood diende hij al op 14-jarige leeftijd te gaan werken in een fabriek. Tijdens het Burgosproces kwam hij mee op straat om te protesteren tegen de uitgesproken doodstraffen. In 1973 trad hij tot ETA toe. Toen de politie hem een jaar later wilde oppakken, was hij reeds gevlucht naar Noord-Baskenland. Na een korte “militaire opleiding” keerde hij terug naar het Zuiden. In de zomer van 1975 werd hij lid van een “comando berezi” (bijzonder commando) in Catalonië. Bij een bankoverval werd hij samen met zijn maat, Pérez Beotegi, opgepakt. Na gedurende vijf dagen gefolterd te zijn, tekende hij, als zovele anderen, een zelfbeschuldiging. De Krijgsraad in Barcelona eiste de doodstraf, maar toch kregen de advocaten slechts vier uren de tijd om de verdediging voor te bereiden. Niettegenstaande internationale protesten verscheen Txiki op 27 september 1975, voor het vuurpeloton bij het kerkhof in Cerdanyola. Dat vuurpeloton bestond uit vrijwilligers, mannen met baarden. Toen het peloton aantrad begon Txiki het “Lied van de Baskische Soldaat” te zingen: Eusko Gudariak Gara... (Wij zijn Baskische soldaten). Bij de tweede strofe begonnen ze op hem te schieten. Het was geen salvo. De schoten vielen met seconden lange tussenperiodes. Graf Txiki te Zarautz |






