|
De overgang (La Transición) naar de democratie speelde zich, volgens mij, af tussen de periode 1972 tot 1982 (velen beschouwden de dood van Franco op 20 november 1975 als het startpunt). Van de prille aanzet bij de overdracht van de regeringsmacht door Franco aan Carrero Blanco in 1972 tot aan de verkiezing van Felipe Gonzales in 1982. Algemeen wordt aangenomen dat in 1982 de overgang afgerond was, en dat van dan af Spanje een democratie (?) was.
Maar Franco duidde Carlos Arias Navarro aan, al minister onder Carrero Blanco, falangist en oud-directeur van de nationale veiligheid, een onderdrukker “pur sang”. Toen hij onmiddellijk na de burgeroorlog militair magistraat werd in Málaga, kreeg hij de bijnaam “de slager van Málaga”. La apertura Met de etappes Carrero Blanco en Arias Navarro werd een schuchtere poging in gang gezet om een opening (la apertura) te maken naar een wat losser regime, wat later zou overgaan in een democratie. Maar Franco bleef een bastion tegen de thesis van de “aperturistas”, die van alle kanten meer en meer aandacht gingen opeisen, zelfs uit kleine segmenten in het leger. El búnker Het is moeilijk om een definitie van “El búnker” te geven. Is het een formatie die zich verzet tegen verandering en tegen sociale innovatie? Is het een formatie die de permanente affirmatie van de Franquistische waarden wil betonneren? Is het een formatie die een pure verdediging van het conglomeraat van dominante belangen op het oog heeft? Het was minimaal in ieder geval een formatie die de verdediging op zich nam van, zoals zij het noemen, “de Moeder, de Heilige Kerk”; de “verheerlijking van de liefde voor Spanje”; de “bezorgdheid om de permanente waarden”. Een búnker-dirigente, gevormd door titularissen met grote belangen, die een gevaar zien in de evoluties. Een soort macro-búnker, geïnstitutionaliseerd, en bestaande uit 300 bankiers uit de haute-finance, 1000 families van grootgrondbezitters (latifundistas, terratenientes), een paar 10-tallen prelaten van de Kerk, 200 adellijke families van de aristocratie, politici en intellectuelen. Een paar namen:
Een búnker die terreur zaait, boekhandels in brand steekt, aanslagen pleegt. Het is de búnker van de Guerrilleros de Cristo Rey en Grupos de Acción Sindicalista. Een búnker-massa, gevormd door meelopers, nuttige idioten, goed voor voetvolk bij pro-Franco-betogingen. Maar Arias Navarro had zich voorgenomen de “Leyes Fundamentales del Reino”, de grondwet van Franco, aan te passen. Grondwet is hier wat overdreven, het is meer een dictatoriaal decreet. Hij verklaarde in de Cortes op 12 februari 1974 dat er voldoende ruimte was voor een evolutie in die zin. Hij kreeg ten alle kante tegenwerking: van Franco zelf, van de franquistische integristen en ook van de democratische oppositie (er was wel geen oppositie, maar wel groepen die in de richting van een democratie dachten). In zijn discours van 24 juni 1975 had hij namelijk drie rotsvaste principes opgelegd. Drie voorwaarden waarover niet te onderhandelen viel: 1. Radicale uitsluiting van het communisme, in al zijn aspecten (groepen, syndicaten, manifestaties…) 2. De bevestiging van de nationale eenheid of radicale uitsluiting van nationalisten en autonomisten. 3. De erkenning van de Spaanse staat als monarchie. Leyes Fundamentales del Reino
De Fuero del Trabajo is één van de 8 Leyes Fundamentales van het Franquisme. In 1938 had Franco al een duidelijk inzicht over de afloop van de Spaanse burgeroorlog. Hij creëerde een Gobierno de la Nación en vaardigde de eerste wet uit. De tekst is gemaakt op basis de ideologie van de Falange en regelde arbeidsvoorwaarden, dagtaak en rust. Daarnaast werd de Magistratura del Trabajo (arbeidsrechtbank) opgericht en de verticale syndicaten (corporatisme), waarin patroons en arbeiders verenigd waren, wat akkoorden over arbeidsvoorwaarden bijna onmogelijk maakte.
De Ley Constitutiva de las Cortes of simpelweg de Ley de Cortes van 17 juli 1942 werd afgekondigd in de eerste etappe van Franquisme om een schijn van “parlamentarismo”, volksvertegenwoordiging, hoog te houden. De vertegenwoordigers, dat had u al begrepen, behoorden tot de “familie” van het Franquisme. De Cortes was als volgt samengesteld: de ministers, de raadgevers van de FET y de las JONS (Falange), de voorzitters van de hoogste organismen, de vertegenwoordigers van de corporatieve vakbond, de rectoren van de universiteiten, de voorzitters van welbepaalde culturele instituten, de voorzitters van professionele associaties en zij die door Franco aangeduid werden (noot: alle vorige werden ook door Franco benoemd).
De Fuero de los españoles omvatte een aantal hypothetische rechten, vrijheden en plichten van het Spaanse volk, zonder uitdrukkelijke garanties. Het was “schone schijn” want de rechten van de mens werden helemaal niet gerespecteerd.
De Ley del Referéndum Nacional veronderstelde de mogelijkheid tot het uitroepen van een referendum of een plebisciet, wat uiteraard nooit werd toegepast.
De Ley de Sucesión en la Jefatura del Estado behandelde de opvolging van Franco. Die opvolger zou door Franco zelf aangeduid worden, en bekrachtigd worden in de Cortes. Juan de Borbón, zoon van Alfonso XIII, was de wettelijke erfgenaam voor de troonopvolging in het Spaanse koninkrijk. Hij publiceerde op 19 maart 1945 een manifest “Manifiesto de Lausana”, waarin hij de franquistische dictatuur in heel scherpe bewoordingen veroordeelde. Daardoor had hij alle kansen op opvolging verspeeld en Franco duidde de zoon van Juan de Borbón, met name Don Juan Carlos de Borbón, aan als opvolger. De relaties tussen Juan de Borbón en zijn zoon Don Juan Carlos de Borbón bereikten hierdoor een dieptepunt. Don Juan Carlos de Borbón aanvaardde de opvolging, over het hoofd heen van zijn vader. De officiële afkondiging greep plaats in de Cortes op 22 juli 1969.
De Ley de Principios del Movimiento Nacional of Ley de Principios Fundamentales del Movimiento was een wet waarin de basis van het regime vervat lag, de idealen “Vaderland, Familie en Religie”. Dit ging samen met het maximum respect voor de Leyes Fundamentales en voor de conservatieve monarchie. Iedereen die een openbare functie beoogde, moest eerst een eed van trouw zweren aan die wet.
De Ley Orgánica del Estado werd afgekondigd 8 jaar voor het overlijden van Franco, en behelsde de fundamentele opsplitsing tussen “Jefe del Estado” (staatshoofd) en “Jefe de Gobierno” (regeringsleider). Dit belette niet dat Franco, met een paar tussenpozen wegens ziekte, beide functies tot bijna aan zijn dood bleef combineren. In diezelfde wet werd ook het instituut monarchie nogmaals bevestigd, werd de functie van procureur toegevoegd en werd de mogelijkheid in overweging genomen om politieke associaties op te richten.
De Ley para la Reforma Política is een verzameling van aanpassingen aan de toenmalige vigerende wet, Leyes Fundamentales del Reino. De bedoeling was een opening te forceren naar een Constitutie, die Spanje moest omvormen tot een democratische en sociale rechtstaat. Die hervorming had als objectief de fundamentele rechten en vrijheden te garanderen, de legalisering van politieke partijen, de mogelijkheid te scheppen om nieuwe syndicaten op te richten (en het daaraan verbonden arbeidsrecht) naast de verticale, corporatieve vakbond (het stakingsrecht zou worden erkend), het indienen van een wetsontwerp “Ley Electoral” dat verkiezingen zou regelen, een aanpassing van de “Código Penal” i.v.m. politieke gevangenen en amnestie voor diezelfde groep. a. De instelling van een concept van volksvertegenwoordiging, met politieke rechten vanaf 21 jaar. b. De oprichting van een tweekamersysteem, “Congreso de los Diputados” en “Senado”, met een mandaat van 4 jaar. De leden worden verkozen via vrije (geheime) verkiezingen, met uitzondering van 1/5 van de senatoren doe door de koning benoemd zullen worden. c. De op die manier verkozen regering en Kamer van volksvertegenwoordigers moet instaan voor het schrijven van een nieuwe grondwet. Er staat evenwel nergens op papier vermeld dat zij de Leyes Fundamentales del Reino van Franco mogen afschaffen, dit om “El Búnker” niet voor het hoofd te stoten of te provoceren. Nochtans werd tussen januari en april de aanzet gegeven voor de legalisering van de eerste politieke partijen: het centrumrechtse UCD-Unión de Centro Democrático en de socialistische PSOE-Partido Socialista Obrero Español in februari; de communistische PCE-Partido Comunista de España in april en de uiterstrechtse AP-Alianza Popular. En toch wilde de oppositie meer. Zij wilden een radicale breuk met het verleden. De Cortes werd ontbonden en er werden verkiezingen (volgens het nieuwe systeem) uitgeroepen voor 15 juni 1977. De UCD van Adolfo Suárez won met 34,72% van de stemmen, gevolgd door de PSOE met 29,25%, de PCE met 9,4% en de AP met 8%. In oktober 1977 werd een algemene amnestie uitgevaardigd voor politieke gevangenen. Franco sterft “Vandaag breekt een nieuw tijdperk aan in de geschiedenis van Spanje”, verklaarde Juan Carlos I in zijn toespraak tijdens zijn investituur op 22 november 1975, twee dagen na de dood van de Caudillo. De goedmenende democraten hadden de illusie dat de continuïteit van het Franquisme verbroken was (“la ruptura”) met de dood van Carrero Blanco, en nu definitief bezegeld werd met de dood van Franco. Carlos Arias Navarro had zich in een wespennest gestoken. De repressie van Arias t.o.v. een versterkte linkse beweging en zijn afkeer voor compromissen i.v.m. de hervormingen overtuigden Juan Carlos er van om op te treden. Heel behoedzaam, want de franquistische “El Búnker” had nog enorm veel invloed. Een kleine uitschuiver zou de militairen bijzonder zenuwachtig kunnen maken. Maar ook Arias kon niet op sympathie rekenen bij de militairen, omdat ze hem te zwak en te tolerant vonden. Op 1 juli 1976 ontbood Juan Carlos zijn premier, Carlos Arias Navarro, en bedankte hem voor bewezen dienst voor het vaderland. De koning had al een plaatsvervanger in gedachte. De regering Suárez “Ik heb alle voorwaarden in handen om aan de koning te geven wat hij vraagt”, zijn woorden die Torcuato Fernández Miranda uitgesproken heeft. Hij werd belast met de opdracht de naam van Adolfo Suárez tussen de drie mogelijke kandidaten voor het voorzitterschap van de Ministerraad te schuiven, zodat de koning, zonder smet van vooringenomenheid, zijn kandidatuur kon aanduiden. Door middel van politieke druk, geheime besprekingen en toegevingen kon Suárez, ex-secretaris van de Movimiento, de sympathie van de oppositie winnen. Het pleitte in zijn voordeel dat hij niet uit rangen van de Falange stamde, alhoewel hij verschillende functies had uitgeoefend voor zijn beschermheer Fernando Herrero Tejedor, een falangist met banden bij Opus Dei. In september 1976 keurde de regering zijn hervormingsproject, “Proyecto de Reforma Política”, uitgewerkt door Torcuato Fernández Miranda, goed. Dit was niet zo vanzelfsprekend, want de democratische oppositie was nogal achterdochtig en Torcuato Fernández Miranda moest de luitenant-generaal, Manuel Gutiérrez Mellado, geruststellen die op zijn beurt zijn manschappen, allemaal franquistische oud-strijders uit de burgeroorlog, onder controle moest houden. Het project omvatte de voorbereiding van de eerste vrije verkiezingen voor de Cortes, om een voltallig congres samen te stellen, bestaande uit 350 volksvertegenwoordigers en 207 senatoren. Dat hier de gebruikelijke intriges ten volle werden benut, hoeft geen betoog. Het resultaat was dat invloedrijke hoogwaardigheidsbekleders het zo hadden kunnen voorstellen dat het project een overgang (La Transición) was van het wettelijke Francoregime naar een wettelijk democratische regime. Op 18 november 1976, tegen alle verwachtingen in en onder algemene consternatie, stemde de franquistische Cortes hun eigen doodsvonnis (het project werd ook “Ley de Harakiri” genoemd) en keurden het project goed (425 pro, 59 contra en 13 onthoudingen). Op 15 december 1976 keurde ook een grote meerderheid van de Spanjaarden, via referendum, het project goed. Ook de nationaalkatholieke kerk (fervent aanhanger van Franco) deelde in de brokken. De Kerk werd er zich stilaan van bewust dat ook aan hun bevoorrechte privilegies een einde zou komen. De herinnering aan Manuel Azaña met zijn uitspraak: “Spanje heeft opgehouden katholiek te zijn”, lag nog vers in het geheugen. In een “Operación Lucero” werden voorbereidingen getroffen die de gevolgen van de dood van Franco moesten counteren. Kardinaal Tarancón, geïnstrueerd door paus Paulus VI, wist dat de Kerk zich zou moeten inschrijven in een democratisch Spanje. Ter gelegenheid van de eedaflegging van koning Juan Carlos voor de Cortes op 22 november 1975 werd een mis opgedragen in de kerk Los Jerónimos, gecelebreerd door Tarancón. Hij hield er een merkwaardige homilie die gebaseerd was op christendemocratische beginselen. Het duurde evenwel nog 3 jaar voor dit in alle geesten was doorgedrongen (en dan nog). De schuchtere aanzet naar een democratische ontplooiing wordt echter (1976-1977) in gevaar gebracht door zowel de ultra’s als de Baskische nationalisten:
Het referendum Op 15 de december 1976 werden de eerste stappen gezet naar de democratie. Er moest in een referendum gestemd worden over de “Ley para la Reforma Política” of de “Ley de Harakiri”, de wet van de politiek zelfmoord volgens sommigen. Niettegenstaande de aanwezigheid van de linkse partijen was de bevolking wantrouwig en velen stuurden aan op onthouding. “El Búnker” was radicaal tegen en vroeg een NEEN-stem, omdat Franco ook neen zou gestemd hebben. Op weg naar de stembus Terwijl de sociale spanningen als een tijdbom onder de staatsstructuur lagen, volgde de politiek het afgesproken stappenplan. In februari 1977 werden de voornaamste belemmeringen voor de legalisering van politieke partijen weggewerkt. De centrumdemocraten van de UCD en de socialisten, met “el grupo de los sevillanos” van Felipe González, Alfonso Guerra en Manuel Chaves, verschenen op het toneel, terwijl de PCE verboden bleef. Maar Adolfo Suárez zag al vlug in dat de erkenning van de Partido Comunista de España een noodzakelijk kwaad was om de geloofwaardigheid van vrije verkiezingen veilig te stellen. In zijn achterhoofd zat ook de gedachte van verdeel en heers: de linkse stemmen zouden nu verdeeld worden over 2 partijen. Nog in dezelfde maand februari had hij een geheim overleg, dat 6 uur duurde, met Santiago Carrillo en waarbij bepaalde voorwaarden werden afgesproken die later ontkend werden (o.a. afzien van de opeising van een republiek). Op 9 april 1977 werd de PCE gelegaliseerd, in de geschiedenisboekje gekend als “Sábado Santo Rojo”, rode paaszaterdag. Nu was er geen weg terug meer. Op 28 april 1977 werden de syndicaten gelegaliseerd en op 13 mei 1977 keerde Dolores Ibárruri “la Pasionaria” terug uit ballingschap vanuit de URSS. De verkiezingen van 1977 Op 15 juni 1977, na 40 jaar dictatuur, werden vrije democratische verkiezingen uitgeschreven. De UCD van Adolfo Suárez behaalde een behoorlijk resultaat (166 zetels op 350). De PSOE (118 op 350) kon heel wat stemmen van de PCE (20 op 350) inpikken en werd de tweede partij. De Alianza Popular van Fraga Iribarne, die een langdurige en charismatige campagne gevoerd had, behaalde maar een gematigd resultaat (16 op 350). De resultaten lieten een paar dagen op zich wachten, omdat de ervaring met democratische verkiezingen weggedeemsterd was. De twee prioriteiten voor de nieuwe regering waren: de belabberde economische situatie en het het schrijven van een nieuwe grondwet. Op 4 juli 1977 legde Adolfo Suárez opnieuw de eed af in handen van de koning als premier. In de formule van de eedaflegging was er voor de eerste maal geen verwijzing meer naar de Movimiento. Het nieuwe kabinet, het derde na Arias Navarro en Adolfo Suárez 1, was het eerste democratisch verkozen parlement sedert 16 februari 1936, toen het Frente Popular, het volksfront de macht greep. Het kabinet was een weerspiegeling van de verschillende componenten die deel uitmaakten van de UCD (en naderhand voor problemen bij Suárez zou zorgen). De samenstelling was de volgende: Gutiérrez Mellado, luitenant-generaal, (vice-president en defensie), Franquist van afkomst, maar hervormingsgezind. (Er was maar 1 militair in het kabinet). Enrique Fuentes Quintana (vice-president en economie), oud-functionaris ten tijde van Franco, nu onafhankelijk en gematigd. De grondwet van 1978 Op 6 december 1978 werd bij referendum de Spaanse Grondwet 1978 goedgekeurd, die in voege trad op 29 december 1978. De Constitutie of de Grondwet bestaat uit twee delen:
In dit deel wordt vooral de juridische norm aangepakt: de principiële constitutionele rechten van de burgers worden beschreven (een uitgebreide verklaring van de individuele rechten, zonder restricties, zoals: recht op arbeid, woonst, opvoeding, onderwijs, gezondheid, enz…), de nationale soevereiniteit en het recht op autonomie voor de nationaliteiten en de regio’s die deel uitmaken van de Spaanse Natie (artikel 2). Vooral artikel 2 was onderwerp van discussie, hoofdzakelijk wegens de dubbelzinnigheid ervan.
In dit deel wordt de structuur van de staat uitgetekend waarbij de basisorganismen die de macht uitvoeren, worden geregeld. De staatsvorm is een constitutionele monarchie, met een uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht. Er is stemrecht voor mannen en vrouwen vanaf 18 jaar. Het Tribunal Constitucional waakt over de toepassing van de artikels uit de grondwet. De Constitutie werd 1 maal gewijzigd, op 28 augustus 1992, om stemrecht en verkiesbaarheid toe te kennen aan inwonenden uit de Europese Unie ( artikel 13.2, Hoofdstuk I). De Grondwet van 1978 brak radicaal met het centralistisch ideeëngoed van Filips V. Om enigszins tegemoet te komen aan de eisen van de Baskische en Catalaanse nationalisten (en niet te vergeten de gallego’s, de valenciano’s, de canario’s en de andaluces), werd een aanzet gegeven tot decentralisatie van de staat (artikel 147). De grondwet voorzag in twee soorten autonomie: de historische nationaliteiten (Cataluña, País Vasco en Galicia) die eerst aan beurt zouden komen, en de niet-historische (de rest) die later zouden behandeld worden. Per Autonome Gemeenschap (comunidad autónoma) zou dan een "Estatuto de Autonomía", een statuut ter stemming voorgelegd worden.
| |||||

