|
Is Bar Faisán een draaischijf Op 16 december 2007 laat de journalist Fernando Lázaro van de intoxicatiekrant “El Mundo” volgend bericht op de goegemeente los: “Ongelooflijk, maar waar. De politie heeft aan de Audiencia Nacional meer dan honderd foto’s bezorgd over het schaduwen van de bar Faisán te Behobia, maar geen enkele foto geeft gegevens of aanwijzingen weer van de identiteit van de agenten, die nochtans het tipje van de sluier zouden kunnen lichten over de vermoedelijke verantwoordelijken van het financiële netwerk dat gekoppeld is aan ETA. De foto’s werden opzij gelegd omdat zij geen relevante informatie bijbrachten. Het was nochtans een totale politieoperatie. Er werden foto’s genomen uit alle mogelijke en onmogelijke hoeken, van de hoofdingang, de zijingang, het terras achteraan. De eigenaar van de bar, Joseba Elosua, werd gewaarschuwd dat de politie hem op de hielen zat en dat er een juridische actie op het getouw stond. Dit “verraad” (de waarschuwing dus) zou dateren van 4 mei 2006. Bronnen van het onderzoek hebben aan deze krant gemeld dat de agenten fotografisch materiaal verzamelden over dit ETA-complot en over de ondernemers die de bar bezochten om de betalingen van de “revolutionaire belasting” ter plaatse te regelen”. Elosua, samen met een ondernemer (verdoezeld beeld omwille van veiligheidsmotieven) “Het materiaal dat in handen van onze krant gekomen is, bevatte foto’s uit 2004, 2005 en 2006. Maar het gros van de foto’s dateert van de eerste 5 maanden van 2006, de hoogdagen van de op hand zijnde politieoperatie, geleid door magistraat Grande Marlaska. Het is werkelijk verbijsterend te moeten vaststelling dat er meer dan 150 foto’s genomen werden net voor het “verraad”, maar dat van de dag van het “verraad” zelf, 4 mei 2006, geen enkele foto voorhanden is. Er is wel een foto ontdekt van een ontmoeting van Elosua met Iulen Madariaga, medeoprichter van ETA, drie dagen voor het “verraad”, op 1 mei 2006.
Elosua, samen met Iulen Madariaga Ook van 2 mei 2006 komt een foto boven water van een ontmoeting van Elosua met de recent door de Guardia Civil vrijgelaten Ramón Sagarzazu.
Elosua, samen met Ramón Sagarzazu Maar de meest betekenisvolle foto dateert van 3 mei 2003. Veiligheidsagenten van de Comisaría General de Información hebben kiekjes in hun bezit van de vermoedelijke leider van het afpersingsnetwerk (Elosua) samen met José Ramón Cau en Gorka Agirre (op dat ogenblik leider van de PNV), in de nabijheid van de bar.
Elosua, samen met José Ramón Cau en Gorka Agirre Van 4 of 5 mei 2006 is er geen enkel spoor van foto’s in het dossier te vinden”. Bron: El Mundo Wat wil “El Mundo” nu eigenlijk aantonen met dit artikel? Insinueren en criminaliseren. Naast de naam van Iulen Madariaga staat uitdrukkelijk vermeld dat hij medeoprichter is van ETA, maar wat er niet bijstaat, opzettelijk weggelaten, is dat Madariaga al lang de rangen van ETA had verlaten nog voor het eerste geweld losbarstte. Geweld dat een antwoord was, een protest, op het bloeddorstige regime van Franco en de zijnen. Geweld en protest dat nog altijd voortduurt, want de geest van Franco waart nog altijd rond in geesten van zijn volgelingen. De regering Zapatero (PSOE) is misschien niet bevolkt met volgelingen, maar zij gebruiken toch maar dezelfde sinistere methodes van de dictator. Er bestaat niet de minste twijfel over, deze foto’s zullen gebruikt worden als bewijsmateriaal in een later te voeren proces. Op basis van die foto’s werd op 20 juni 2006 immers al een inval gedaan in de bar en werden 12 personen gearresteerd en de bar tijdelijk gesloten (zie rubriek: "Financieel netwerk 2"). Maar wat bewijzen die foto’s eigenlijk? Niets, behalve dat de personen die er op te zien zijn, elkaar op die bepaalde dag hebben ontmoet, zoals wel meer gebeurt in een bar. Het is al te gemakkelijk een bepaalde instelling te beschuldigen draaischijf te zijn voor het innen van de “revolutionaire belasting”, maar een reactie van de behoeders van de democratische eenheid moet u daarop niet verwachten. De eigenaar is immers een Baskische nationalist en dus “per definitie” van ETA. Als hij personen ontmoet die ook nationalist zijn, moeten zij “per definitie” ook van ETA zijn, en de beschuldiging van draaischijf vloeien, zonder bewijslast, voort uit die nefaste logica. Het is echter een logica die niet thuishoort in een rechtstaat. Het is mogelijk dat de beschuldigingen terecht zijn, maar dan moet een proces, met onweerlegbare bewijzen, uitmaken dat dit ook zo is. In Spanje is het de gewoonte een veroordeling uit te spreken, nog voor er een proces geweest is. Op die manier wordt druk uitgeoefend op de magistratuur, maar ook zonder die druk volgt diezelfde magistratuur gewillig de richtlijnen of directieven van de politieke machthebbers. Of ze nu PP of PSOE zijn, maakt geen verschil. De zoon van Joseba Elosua ontkent trouwens op 20 mei 2008 voor de Audiencia Nacional dat zijn vader aan Gorka Agirre (op dat ogenblik leider van de PNV) brieven zou overhandigd hebben, brieven met het voorstel om “revolutionaire belasting” te betalen. 20 mei 2008 Op 20 mei 2008 kon de zoon van Joseba Elosua zijn versie van de feiten kenbaar maken aan de magistraten van de Audiencia Nacional. Hij werd opgeroepen als getuigen ten ontlaste voor de leider van de PNV, Gorka Agirre. Vader Joseba Elosua zelf en Gorka Agirre waren in beschuldiging gesteld van medewerking met het “afpersingsapparaat” van ETA. Volgens onderzoeken door de Guardia Civil uitgevoerd had Agirre geld, afkomstig van afpersing van ondernemers, overhandigd aan Elosua, die op zijn beurt afpersingsbrieven aan Agirre gaf om ondernemers te benaderen. Als bewijsmateriaal werd volgend feit voorgelegd: toen Agirre zich naar bar Faisán begaf, zagen de onderzoekers dat de linkerzijzak van zijn broek wat bol stond. Er moest dus geld inzitten, want bij een vorige gelegenheid was hij als eens “betrapt” toen hij een omslag aan Elosua gaf (in het openbaar!) Bij telefoontaps was de Guardia Civil tot de vaststelling gekomen dat Elosua in codetaal sprak toen hij flessen wijn bestelde. De hoge graad van spitstechnologische hersencellen waarover die mannen beschikken, stelde hen in staat om van 1 fles wijn een afbetaling van 6.000 euro te maken. Zoveel flessen vermenigvuldigd met 6.000 euro en je hebt het bedrag dat een ondernemer moest afdokken. Er was ook een foto waarop Agirre een krant vasthield waarin iets verstopt zat. Dat kon niet anders zijn dan omslagen met afpersingsgeld. De zoon van Elosua gaf een meer geloofwaardige versie aan Baltasar Garzón van de Audiencia Nacional. De krant die Agirre vasthield, was de Baskische krant “Berria” en tussen de gevouwen krant zat een nummer van “Zutabe” (gestencild tijdschrift van ETA) die Elosua net voordien aan Agirre gegeven had. De verdediger van Agirre wist nog te melden dat betreffende “Zutabe” het nummer 110 was, uitgegeven onmiddellijk na het staakt-het-vuren van 22 maart 2006. Agirre was benieuwd wat de uitleg van ETA hierbij was. Veiligheidshalve had hij de “Zutabe” verstopt, want wie met dergelijk exemplaar betrapt wordt, weet wel waar het begint (arrestatie), maar weet niet waar het eindigt (foltering?). De verdediger had nog iets in petto. De werkelijke rol van Agirre in dit onwezenlijke schouwspel. Een ondernemer, die door ETA aangesproken was om te betalen, verklaarde dat hij de hulp van Agirre inriep om te verifiëren of de brief werkelijk van ETA afkomstig was (zouden er andere brieven in omloop geweest zijn die moesten dienen als valstrik?) Agirre had hem zelfs de raad gegeven niet te betalen. Deze ondernemer sprak in naam van vele andere ondernemers. Bron: “Europa Press” 24 oktober 2008 Op 24 oktober 2008 neemt Baltasar Garzón, magistraat bij de Audiencia Nacional, een beslissing in het gerechtelijke onderzoek naar de zogenoemde inning van “revolutionaire belasting” die zou plaatsgehad hebben in de bar “Faisan” te Irún. Het netwerk dat daarbij zou gehanteerd worden, kreeg de codenaam “Gezi”. Hij is wel van plan 24 andere personen, onder wie 6 ondernemers van Azkoyen (een multinationale onderneming met centrale zetel in Pamplona), voor de rechter te brengen. De ondernemers zouden tussen 1995 en 2001 ingegaan zijn op de dreigbrieven en over die periode een totale som van 37.000.000 peseta’s aan ETA hebben betaald. Wat de beklaagden betreft, besluit Garzón in zijn onderzoek Joseba Imanol Elosua aan te klagen voor "integratie in een terroristische organisatie" en "terroristische bedreigingen", overwegende dat Elosua zijn etablissement gebruikte om de diverse afpersingsbrieven van daaruit te kanaliseren en om er het geld te innen. Diezelfde aanklacht valt ook 8 opgesloten politieke gevangenen te beurt (onder wie Soledad Iparraguirre “Anboto”). De 6 ondernemers worden in beschuldiging gesteld van het feit dat zij de “revolutionaire belasting” betaald hebben. Het zijn de directeur-generaal van Azkoyen, Ignacio Moreno; de ex-leden van de administratieve raad, Ignacio Orbaizeta, José María Kareaga, Francisco Elizalde, Ricardo Armendariz; en de ex-hoofdboekhouder, Jesús Marcos Calahorra. Vier personen worden beschuldigd van “collaboratie” en “bedreiging Juan José Arruti, Jean Pierre Harocarene, Alfonso Martínez de Lizarduy en Emilio Castillo, en vijf personen alleen voor “collaboratie”: José Carmelo Luquin, Iñaki Aristizabal, Jesús Iruretagoiena, José Javier Azpiroz en Juan María Saralegi, allemaal ondernemers die ingegaan zijn op de bedreiging en sommen geld aan ETA betaalden. Bron: Gara |




