Darwinisme en religie
Rudolf Otto
Het is lastig om aan de slag te gaan met deze vorm van ‘darwinisme’ omdat het twee totaal verschillende gedachtelijnen behelst die onverzoenlijk tegenover elkaar staan. Het doorgronden van Goethe’s kijk op de goddelijke inwoning in de natuur is een probleem dat niets te maken heeft met de plaatsbepaling tegenover de biologische principes, methodes en conclusies van Darwin. Maar als we dit soort darwinisme ontdoen van alle verfraaiingen door Goethe’s citaten en de emotionaliteit van de oude dogma’s over de evolutie, dan blijft er iets heel eenvoudigs over. Iets dat het recht opeist om ‘natuurlijke filosofie’ genoemd te worden in de traditie van Spinoza en Kant en de gehele filosofiegeschiedenis die daar achter staat. Een filosofie die zichzelf presenteert als voortschrijdend menselijk inzicht maar feitelijk niets anders is dan die primitieve en verwarrende periode in humanistisch filosofisch onderzoek die we aantreffen in het prille begin. Ik doel hiermee op het hylozoïsme, [de leer dat alle stof (hylè) leven (zoè) bevat] uit de antieke Ionische natuurfilosofie die nog totaal onwetend was van de echte problemen die gepaard gaan met de diepere filosofie. Dit moderne hylozoïsme, ondanks alle enthousiasme die het laat zien voor Darwin, heeft niet het recht om zichzelf ‘darwinisme’ te noemen in de juiste betekenis van het woord, namelijk de leer over de ontwikkeling van soorten zoals die in 1859 gepubliceerd is door Charles Darwin. Het is ontstaan uit het ‘materialisme’ aan het begin van de 18e eeuw en het floreerde al voordat Darwin’s theorieën gemeengoed werden. Niettemin werden deze theorieën opgenomen in een wat verwarrende vorm om daarna zichzelf uit te roepen tot ‘darwinisme’. Hoe dan ook, in wezen is het alleen maar het oude hylozoïstische materialisme dat ook prima in staat was om verder te gaan zonder de leerstellingen van Darwin en er verder ook geen verband mee hield. |
Vertaling: Julia Boulanger en Eliazer Kolthoff jr.
© 2007 by Uitgeverij Abraxas, Amsterdam