Je
moet niet wachten tot er een wonder gebeurt, je moet het zelf doen.
Eerst
en vooral: hoe ben je in de theaterwereld terechtgekomen?
“Toeval!
Ik was student aan de Sociale Hogeschool in Gent, maar dat
interesseerde mij niet echt. Voorheen was ik in Leuven geweest,
actief op straat, maar het waren moeilijke tijden om te studeren. In
Gent kwam ik via de
Studentenvakbeweging
in
contact met de anarchistische beweging. Met die mensen ben ik een
‘buurthuis’ begonnen, de term had ik opgeraapt in de Sociale
school. Het opzet was een politiek actief anarchistische plek te
stichten, waar contact was tussen arbeiders en studenten. Tot onze
verbazing draaide dat van in het begin zeer goed, er kwamen veel
buurtbewoners op af. De Sleepstraat was toen nog een echte Gentse
buurt, er woonde één Turkse familie en één Marokkaanse familie.
Toen we een jaar bezig waren, presenteerden we een
verjaardagsprogramma, waarop Walter
De Buck kwam
zingen. We maakten een heel programma rond de liedjes die binnen de
acties van het buurthuis waren gemaakt en we verkleedden ons met de
kleren van het kinderatelier. Ik was zelf ook muzikant, aan de
universiteit had ik een soort politieke beatgroep, waarin de liedjes
geschreven werden door Guido
Van Meir,
die toen Provo was. Dat verjaardagsprogramma was bedoeld als éénmalig
optreden onder een gekke naam:
‘the bubbel knubbel corporation of sound waw ende woopie inc
audio-visueel circus’.
Met Mirza, de enige pianospelende straathond ter wereld, met
doorgezaagde maagden, erectiefluiten, een waanzinnig gedoe. Walter
vond het niet te doen dat we dat maar één keer zouden brengen, maar
ik zei hem dat we geen enkele ambitie hadden om daarmee verder te
gaan. Toen heeft hij ons op sleeptouw genomen. Een paar weken later
vroeg hij of we hetzelfde wilden doen in een andere buurt. En ineens
hadden we de smaak te pakken! Toen ging het razendsnel. Oktober ’71
was ons eerste optredentje, tegen het voorjaar van ’72 moesten we
stoppen met het buurthuis, omdat we het niet meer aankonden − we
waren elk weekend gaan spelen. Tijdens de Gentse Feesten in ’72
werd het nog erger, stonden we ineens op het groot podium, zo
amateuristisch als we waren. Niemand van ons kwam uit de
theaterwereld, niemand van ons had enige opleiding. We begrepen niet
wat ons overkwam, we werden meegesleurd door Volkshogeschool
Elckerlyc, door het Groot Arbeiderscomité en voor we het wisten
waren we vertrokken. In de theaterwereld zijn we pas echt gerold door
de Internationale Nieuwe Scène. Zij zijn op een gegeven moment tegen
ons komen vertellen dat we vormingstheater aan het maken waren − we
hadden nog nooit van die term gehoord. Ze vertelden ons dat er een
decreet was waarin ruimte was voorzien voor vormingstheater, en dat
ze zouden proberen ons daar in te krijgen. Dat is een zotte historie
geweest, en het lukte. Wij waren in een buurthuis in Mechelen aan het
spelen toen ons werd gevraagd om in de pauze dringend te bellen naar
een bepaald nummer. Dat was Wim
Meeuwissen van
De Internationale Nieuwe Scène, en die zei: ‘Jongens, jullie zijn
erkend, jullie krijgen een half miljoen subsidie!’ Een half
miljoen, wij dachten: ‘Waaw!’ Toen bleek dat we daarmee net drie
mensen konden inschrijven, aan 7.000 frank in de maand. Maar goed, we
waren vertrokken. Om een erkenning te krijgen, moest de helft van het
gezelschap professioneel zijn. Bij ons was echter niemand
professioneel. De mensen van De Nieuwe Scène hebben dat opgelost. In
die tijd kon je nog een stagekaart krijgen als toneelspeler. Dat was
bedoeld voor mensen die te oud waren om nog school te lopen. Om zo’n
kaart te krijgen, moest je in een erkend gezelschap spelen. Dus zijn
ze in de ene commissie gaan vertellen dat we erkend moesten worden
omdat de andere commissie ons dan stagekaarten zou geven. In de
tweede commissie zijn ze gaan vertellen dat we stagekaarten hadden
gekregen en dat niets nog de erkenning in de weg stond.
Dus
kregen wij met 7 mensen, ook de muzikanten, allemaal een stagekaart.
We moesten die elk jaar opsturen voor verlenging, na 5 jaar werd dat
automatisch een beroepskaart.”
Was
de INS een grote inspiratiebron voor jullie?
“Een
inspiratiebron, ja, maar vooral een grote steun. Hun stijl van
repeteren kenden wij bijvoorbeeld niet. We hadden nog nooit met een
regisseur gewerkt. Wim
Meeuwissen is
dat bij ons komen doen, en later zijn er steeds meer mensen uit die
hoek ons komen helpen. Zelf hadden wij daar gaan verstand van. Er
waren mensen die zeiden dat wij een agitpropgezelschap waren,
‘agitatie-propaganda’, ook die term kenden we niet.
Wij
maakten gewoon sketches op basis van wat zich aandiende. Als Van den
Boeynants voor 30 miljard aan vliegtuigen kocht, dan was daar reactie
tegen. Als er in ‘Vrij en Vrolijk’ dingen gebeurden, maakten wij
daar sketches rond. De basis was altijd dezelfde, maar er kwamen
iedere keer nieuwe onderwerpen in. Vanaf de erkenning in ’76
moesten we per jaar zogezegd één productie maken, die we 50 keer
moesten spelen, in zalen met 50 stoelen. Dat waren krankzinnige
regels, maar goed, dat was op zich geen probleem − we hadden veel
meer voorstellingen.
Maar
wat INS deed, dat konden wij niet. Zij werkten met Italiaanse
volksmuziek, via Dario
Fo.
Wij werkten met rock- en popmuziek, en ik denk dat we ook een andere
humor hadden. Onze stijl was direct, recht op het publiek af: dit
hebben we te vertellen: baf! Wat zij deden, vonden wij fantastisch,
want wij konden dat niet, en waarschijnlijk konden zij niet, wat wij
deden.
Een
grotere inspiratiebron voor ons was Le Grand Magique Circus van
Jérôme
Savary,
een gezelschap dat ik leerde kennen via de mensen van Het Trojaanse
Paard. Ik ben een hele grote fan geworden. Alles wat Savary in België
gespeeld heeft, heb ik gezien, en ik herinner me die producties nog
levendig. De eerste voorstelling was Robinson
Crusoë,
ik heb toen drie uur gebiologeerd op mijn stoel gezeten. Toen het
gedaan was, dacht ik dat het een halfuur had geduurd. Uit hun humor
hebben wij veel inspiratie gehaald. Humor en zelfspot zijn zeer
belangrijk. Dat is nu net wat in het politieke theater bijna overal
ontbrak. Vooral de Nederlandse gezelschappen speelden met een sérieux
om van dood te vallen. Er zaten tussen die Nederlandse groepen
nochtans goede groepen, zoals Proloog en GLTwee. Maar ze waren zo
overtuigd van hun eigen gelijk, dat ik altijd dacht: ‘Dat klopt
niet!’ Het is trouwens hun ondergang geweest.”
Hoe
zou je het theaterklimaat in de jaren ’70 schetsen?
“Het
klimaat binnen hét theater kende ik niet, want ik kende enkel het
politieke theater. Zoals is al zei, was dat overdreven ernstig. In de
hele linkse beweging is het gebrek aan humor nog altijd een van de
grote problemen. Linkse mensen kunnen niet lachen. Ik ben geen
communist, en zeker geen maoïst, maar ik krijg al heel mijn leven
lang Solidair
opgestuurd. Daarin heb ik op 35 jaar tijd twee mopjes gevonden. Die
trouwens alle twee zeer goed zijn, en ik in mijn voorstellingen
gebruik.”
Wat
was het doel van jouw theater? Mensen bewust maken?
“Dat
doel is maar geleidelijk aan duidelijk geworden. Toen we erin rolden,
waren we hippies, we hadden allemaal zo’n
koppen haar, de mensen zeiden dat wij vuil waren. ’t Is altijd goed
om een scheldnaam te gebruiken als eretitel, zo hebben de geuzen het
ook gedaan. Wij waren het Circus van Vuile Mong en zijn Vieze Gasten
en het kon niet vuil genoeg zijn. Pas naarmate we verder gingen en we
erkenning kregen, zijn we ons daar wel over gaan bezinnen: waarmee
zijn we nu eigenlijk bezig? Soms was ons doel, plat gezegd, een
‘gespeeld pamflet’ te zijn. Je hebt pamfletten nodig als je
acties opzet, en wij speelden letterlijk wat op die pamfletten stond.
Eerlijk gezegd heb ik soms het gevoel dat ik nog altijd hetzelfde
doe. Ik trek rond en ik speel het pamflet. Wat het publiek moet
weten, wat het moet doen, dat speel ik.
Weet
je, je moet niet wachten tot er een wonder gebeurt, je moet het zelf
doen. Die attitude vind je in onze oudste liedjes terug: ‘Het is
onze wijk, het is onze buurt, het heeft nu lang genoeg geduurd.’ We
deden het samen, niet alleen. We zijn sociale dieren, we moeten ons
daar bewust van zijn en samen aan de slag gaan. Dat was eigenlijk het
uitgangspunt. En dat is nog een beetje zo, hoor! Vandaag de dag kom
je met die boodschap misschien belachelijk over, maar in wezen komt
het nog altijd op hetzelfde neer.”
Jullie
betrokken de toeschouwers bij de stukken - was dat in de jaren '70
een nieuw element?
“Er
zijn verschillende manieren om mensen te betrekken. Wij brachten geen
‘interactief’ theater. Wij speelden, en het publiek keek, maar we
spraken het wel zeer direct aan. Ik kan bijvoorbeeld nog altijd niet
spelen als het zaallicht niet aanblijft, het is gek dat ik het zeg,
maar ik moet de mensen zien. De technici worden daar heel ambetant
van! Omgekeerd heb ik al meegemaakt dat beroepsmensen die met ons
kwamen meespelen ongelooflijke zenuwachtig werden, omdat het publiek
bijna met de voeten op het podium stond. Maar de mensen bij de
voorstellingen betrekken deden wij niet. Het Trojaanse Paard heeft
een tijd gespeeld met de regels van Bowal
- je speelt een scène, het publiek gaat zich moeien. Je herspeelt de
scène nog een keer, het je vraagt het publiek om het anders te
doen. Ik vond dat een goede techniek, ik heb het verschillende keren
meegemaakt, maar wij konden dat niet waarmaken. Het Trojaanse Paard
ging ook bijna iedere avond, na elke voorstelling, met het publiek in
discussie.Wij hebben dat nooit gedaan, we voelden ons daar niet goed
bij. De echte interactie is er eigenlijk maar later gekomen. Nu, in
de Reinaertstraat, worden revues gemaakt waarin buurtbewoners met
eigen sketches komen die door een beroepsregisseur wat opgekuist
worden. Nu gebeurt dat wel, maar toen niet. Dat wil niet zeggen dat
onze oren niet openstonden. We probeerden te horen wat de mensen
allemaal zegden en probeerden tussen de regels te lezen. Ik lees
bijvoorbeeld ontzettend graag lezersbrieven. Ik heb hele
voorstellingen gemaakt op basis van lezersbrieven. In ’83 maakten
we een voorstelling over het succes van rechts, op basis van een
lezersbrief die we uit Het
Parool
hadden gehaald. Een Nederlandse bewoner van een buurt die volstroomde
met allochtonen schreef daarin eigenlijk al wat men pas twintig jaar
later is gaan erkennen. Men sprak van spreiding, maar men spreidde
niet echt, die mensen kwamen allemaal in de moeilijkste buurten
terecht. Achter het station in Gent wonen er geen allochtonen, in de
Brusselse Poort zit het vol. En de bewoners van de Brusselse Poort
hebben het zelf al moeilijk, met de problemen die er zijn. De junkies
zitten daar, de allochtonen zitten daar, de mensen zonder papieren
zitten daar. Die man zei in zijn brief: ‘Mijn huis is in waarde
gedaald, ik heb daar heel mijn leven voor gewerkt, en als ik het nu
zou verkopen krijg ik daar niets meer voor.’ Racistisch? Dat is de
pijnlijke realiteit. Wat we op scène brachten, was geïnspireerd
door de verhalen van de mensen.”
Jullie
kozen vaak voor een cabaret- of revuevorm, en speelden in tenten. Was
het de bedoeling om daardoor een groter publiek te bereiken?
“Niet
bewust. Revue was het enige dat we konden, aangezien we geen
opleiding hadden. En dat we dat goed deden, leerden we uit de
reacties van Walter
De Buck
en Willem
Vermandere
– als zij die eerste avond niet in dat buurthuis waren geweest, had
de groep nooit bestaan. Nu ben ik gerust in wat ik kan: ik weet dat
als ik eenmaal de materie in mijn kop heb, dat de uitwerking vanzelf
zal komen.
Ik
zit nog steeds een beetje in het cabaret, wat toch een stuk
makkelijker is: in het cabaret moet je geen karakter neerzetten,
terwijl bij het politiek theater juist dat karakter de boodschap in
de weg staat. Want de oorzaak van een probleem kan zo in de schoenen
van een karakter geschoven worden. Het is niet omdat de arbeider een
ambetante mens is, dat hij bepaalde sociale
problemen
heeft - het is de maatschappij die ervoor zorgt dat hij problemen
heeft. Voor persoonlijke problemen is hij dan weer zelf
verantwoordelijk. In cabaret kan je alles veel oppervlakkiger houden
en op een humoristische manier je boodschap brengen. En laat ons
eerlijk zijn: ik ben geen acteur, ik heb nog nooit in mijn leven
geacteerd. Ik ben Mong, die speelt. Ik kom op scène en ik speel
iets, maar eigenlijk speel ik altijd mijzelf.”
Hoe
belangrijk was het aandeel van muziek in de politieke theaters?
“Heel
belangrijk. Ik kom uit een familie waar graag gezongen werd, aan de
universiteit had ik gezongen in een rockgroep. Los van het
theaterwerk heb ik nu nog steeds een muziekgroep. De vader van Fabien
Audooren
was
koster, Fabien heeft piano leren spelen op het orgel, in de kerk van
Ename. Hij kon geen noot muziek lezen, maar als zijn papa buiten was,
speelde hij de liedjes van de radio na. Als wij terug voor hetzelfde
publiek zouden staan, zou ik andere verhalen hebben, maar geen andere
liedjes. Mensen kunnen liedjes duizend keer opnieuw horen, verhalen
niet. Mensen zingen graag, maar het Vlaamse volk zingt niet. Ik heb
daar met Jaap
Kruithof
eens een lang gesprek over gehad: hij zei dat dat te maken had met
ons Vlaamse-nationale verleden, waarbij vlaamsnationalisten in twee
Wereldoorlogen de verkeerde kant hebben gekozen. Dat is natuurlijk in
andere landen ook gebeurd, de Italiaanse fascisten hebben hun
volksliedjes ook misbruikt tijdens de oorlog. Die simpele
liefdesliedjes hebben de Italianen na de oorlog teruggenomen, vandaar
dat Dario
Fo ze
kon gebruiken in zijn voorstellingen. Bij ons is die recuperatie niet
gebeurd. Jaap
Kruithof zei
tegen mij: ‘Mong, als je op de Korenmarkt in Gent je gitaar neemt,
en je begint te zingen: ‘Annemarieke, waar gaat ge naartoe’, dan
zullen alle mensen denken dat je bij het Vlaams Belang bent.’ En
dat is heel stom, want die liedjes zijn niet van het Belang. Dat zijn
onze volksliedjes, het Belang heeft daar niets mee te maken. Ik was
toevallig mee met de laatstejaars van het Atheneum van Etterbeek, in
Griekenland. De eerste avond zitten we op het terras in de
universitaire wijk van Athene. Er komen daar Griekse studenten in
traditionele klederdracht, die Griekse volksliedjes zingen. Die
studenten van Etterbeek waren in de wolken! Een van de leerkrachten
zei: ‘Zouden wij niet als antwoord een Vlaams lied voor hen
zingen?’ Maar ze kenden er niet één! Niet één dat ze samen
konden zingen. Uiteindelijk hebben een paar meisjes ‘We gaan nog
niet naar huis’ gezongen, dat was het enige waar ze één strofe
van kenden. Ik ga veel naar integratiecursussen voor nieuwkomers.
Vele nieuwkomers vinden dat opvallend: dat wij niet zingen. Ze
zeggen: ‘Er was een bruiloft in de straat, maar jullie zingen
niet.’ Ik ben in Senegal geweest, waar de mensen altijd zingen. Ze
hebben geen gitaar nodig, ze zingen gewoon a capella, en iedereen
begint mee te zingen, iedereen kent die teksten. Wij zitten daar als
onnozelaars: wat moeten wij nu zingen? Terwijl
liederen wel degelijk belangrijk zijn.”
Helpt
muziek om een boodschap over te brengen?
“Dat
denk ik wel. Maar door het feit dat mensen bij ons niet zingen, zit
je met het probleem dat enkel de liedjes die populair zijn in de
media blijven hangen bij het grote publiek. In ’74 hebben wij,
volledig buiten onze wil, een hit gehad met
‘Het Apenkot’.
Anarchist zijnde waren wij daar toen zeer kwaad over. We hebben alle
contacten met de platenmaatschappij verbroken en we hebben nooit meer
commercieel willen werken. Het resultaat is dat we 35 jaar later nog
altijd met dat ene liedje worden geconfronteerd, terwijl we er 1000
andere gemaakt hebben, waarvan sommige veel mooier en veel intenser
dan ‘Het
Apenkot’.
Ik neem onze cd’s soms mee naar zo’n radioshow, en dan zal je
zien dat ze toch ‘Het
Apenkot’ kiezen.
We hebben een nieuwe cd, laat daar verdomme dan iets uit horen! In de
loop der jaren is de commercialisering alsmaar toegenomen. Wij hebben
ons daar in ‘74 heel erg tegen verzet, maar als je dat nu ziet, was
’74 een plezier. Er bestond toen nog niets, die ene hit heeft ons
meteen twee televisieoptredens opgeleverd: Singesange
Jo
en Binnen
& Buiten.
Bij Singesange
Jo
hebben we gedreigd dat we naar huis zouden gaan als we niet live
mochten zingen. Dat mocht toen, gelukkig maar, want de tekst lag niet
eens vast, we wisten zelf nauwelijks wat er ging komen. Bij Binnen
& Buiten
moesten we wel playbacken en heb ik daar vijf minuten als een
onnozelaar grimassen staan maken, wachtend op het refreintje.”
Er
werd bij Bij' De Vieze Gasten’ ook een kinderprogramma gemaakt. Hoe
paste dat in jullie programma?
“Even
toevallig als de rest. Herwig
de Weerdt
van Stekelbees kwam bij ons, Stekelbees had toen nog geen subsidies,
Herwig had een jaar meegedraaid bij Het Trojaanse Paard. Samen
droomden we van een circustent. In de loop van ’77 hebben we zo’n
klein circus gevonden dat in de namiddag speelde, wij wilden de tent
's avonds gebruiken en daarna samen afbreken. Dat klein circusje
bleek een eenpersoonscircus te zijn, een echt wonder. Die man deed
alles alleen: hij zette alleen zijn tent op, deed heel die
voorstelling alleen, wij hebben een voorstelling gezien met 80
kinderen die dat allemaal fantastisch vonden. Hij liep rond met een
micro: ‘En dan nu onze Amerikaanse trappezist Rafaelo’, dan kwam
hijzelf, in zijn ander kostuum, en kroop in de trapeze. ‘Applaus
voor onze Duitse clown, Pipo.’ En dan kwam hijzelf rap Duitse clown
spelen. Wij wilden met die mens gaan spreken, maar hij zei direct:
‘Ge moogt de tent hebben, want ik ben hem beu!’ Herwig vond dat
we in die tent ’s namiddags voor kinderen moesten spelen en dat
hebben we gedaan van ’78 tot we in ‘90 met de tent gestopt zijn.
Al
snel kozen we hetzelfde thema en hetzelfde décor als de
volwassenenvoorstelling.’s Namiddags speelden we voor kinderen,’s
avonds voor volwassenen. In ’87 bijvoorbeeld ging de
avondvoorstelling over Chileense vluchtelingen in ons land en vormde
de kindervoorstelling het voorspel. Die voorstelling ging over een
poppenspeler, die door Chili trok maar net iets té veel zei, en
gezocht werd door soldaten. Het einde van de kindervoorstelling
vormde meteen het begin van de avondvoorstelling. We hadden het
evengoed over werkloosheid, over racisme. Als de avondvoorstelling in
‘81 rond het zinkende schip van Wilfried Martens ging, dan
gebruikten we hetzelfde decor om een kindervoorstelling te maken over
piraten.”
Wat
heeft het theater van de jaren ’70 volgens jou verwezenlijkt?
“Daar
kan ik moeilijk op antwoorden. Wij waren niet bezig met die vraag,
wij speelden gewoon. Wij probeerden een onderdeel te zijn van het
grote verhaal en daar te zijn, waar men ons nodig had. Ik denk dat er
niet één groep is die zoveel voor benefietvoorstellingen, acties en
stakingen gespeeld heeft als wij. Wij waren kind aan huis bij de
Boel-scheepswerven, wij stonden er bij Sidmar, wij stonden bij de
staking van Glaverbel, de staking van Vieille Montagne. We trokken
zelfs naar Wallonië, we speelden in het Frans, we hebben Het
Apenkot
nog in het Frans gezongen. We waren bevriend met de mensen van de
Gam, Groupe d’Action Musicale. Hele goede muzikanten die liedjes
maakten voor de actie. We zongen de vertaling van hun liedjes in het
Nederlands, zij zongen die van ons in het Frans. Maar de rest van het
theater, de schouwburgen, volgden niet wat er gebeurde, zij wisten
daar helemaal niks van. Omgekeerd heb ik Groenten
uit Balen
wel nog gezien, dat stuk speelde op plaatsen waar wij naartoe gingen,
niet in de grote schouwburgen. Als wij een schouwburg binnenkwamen,
was dat om naar de INS te gaan, want die speelden daar wel.
Het
was een zeer actieve tijd, het tegenovergestelde van de jaren ’80.
In de jaren ’80 zagen we dat ineens allemaal kantelen. In ’81
hebben we nog ons tienjarig bestaan gevierd in Zomergem, een
waanzinnig feest met 5 à 6000 mensen. Groepen die we niet gevraagd
hadden, kwamen met bussen toe uit Nederland: ‘We hebben gehoord dat
het feest is voor Vuile Mong en zijn Vieze Gasten, kunnen we
optreden?’ We hebben dan van de gemeente nog snel de sporthal erbij
gekregen. Vijf jaar later vierden we ons vijftienjarig bestaan, en de
INS was het enige dat nog overbleef. Al de rest was weg, het was
allemaal weg, zowel in Nederland als bij ons.”
Hoe
komt het dat veel politieke theaters stopten?
“In
Nederland had het te maken met subsidie. In tegenstelling tot in
België was er in Nederland een zeer goede subsidiering. Die veel
ineens weg: je zag gezelschappen met een enorme structuur, die plots
hun subsidies kwijtwaren. Zij stopten gewoon. De ene dag stonden ze
daar met hun politiek theater, de andere dag was het gedaan.
Hier
hadden we allemaal hetzelfde loon. Wij verdienden in die tijd 15.000
frank in de maand, dat werd later 20.000 frank. Dat heeft geduurd tot
aan onze eerste erkenning binnen het nieuw Theaterdecreet van ’93,
waarbij er ineens een CAO was! Maar ’93 was ook het eerste jaar dat
we drie maanden aan de dop hebben gestaan, collectief. Want ze
sluiten wel een CAO af, maar wat ben je ermee, als je niet genoeg
subsidies krijgt om met zo’n groot gezelschap rond te trekken?
Gelukkig waren wij gewoon om met weinig middelen te werken. We waren
begonnen zonder subsidies, zonder het idee dat we iets zouden kunnen
krijgen. Niemand van ons zat er dus mee in om weer te gaan werken.”
Vind
je de invloed van dat politieke theater terug in het theater vandaag?
“Ik
weet niet of het de invloed is van de jaren ’70, maar wat ik
vandaag wel met vreugde vaststel, is dat een boel mensen de draad
terug opnemen. Neem nu Dimitri
Leue,
die een voorstelling maakt over ecologie en er consequent met zijn
fiets naartoe rijdt, dat ligt me wel. Maar in welke mate de jonge
makers door ons beïnvloed zouden zijn, dat moet je aan hen vragen.
Ik denk in ieder geval niet dat het er zo veel zijn. Het meeste
theater gaat over persoonlijke zaken, dat was toen al zo, en dat is
nog steeds een beetje zo. Guido
Van Meir
heeft ooit in Humo
de volgende vraag gesteld: ‘Hoe komt het als ik in de krant een
recensie lees van een film, ik 95% kans heb dat ik een goeie film
zie, als ik in de krant een goeie recensie lees van theater, ik 95%
kans heb dat ik er geen bal van begrijp?’ Ik begrijp die vraag, het
is een gevoel dat leeft rond theater. In de Reinaertstraat hebben we
uitverkochte kindervoorstellingen en familievoorstellingen, maar wat
de avondvoorstellingen betreft, is het een gevecht om voldoende
publiek binnen te krijgen. Drie jaar geleden maakten wij een
voorstelling over de milleniumdoelstellingen en er deed een meisje
mee, afkomstig uit Limburg. We speelden in een zaaltje in Limburg,
haar ouders zaten in het publiek, en na de voorstelling reageren die
mensen overenthousiast. ‘Het was waarschijnlijk de eerste keer dat
ze iets gezien hebben van mij, dat ze begrijpen’, zei dat meisje.
Kijk, op zo’n momenten denk ik: waar zijn theatermakers mee bezig?
Binnenkort speel ik in de Bourla, op vraag van Willy
Thomas
en Benjamin
Verdonck.
Zij hebben Global
Anatomy
gemaakt, een woordenloze voorstelling over globaliseren. Ik ben zeer
benieuwd. Dat zijn de dingen waarvan ik denk: ‘Ja jongens, doe maar
voort!’ Het is nodig, er gebeurt zoveel in onze wereld maar die
bekommernis leeft weer bij de mensen. Wat dat betreft ben ik zeer
optimistisch.”
Heb
je advies voor de huidige theatermakers?
“Ach,
dat elk maar op zijn manier theater maakt. Als je niet geëngageerd
bent, moet je geen politiek theater maken. Waarom zou je? Ik ben
altijd een fan geweest van Toon
Hermans.
Toon
Hermans
is niet bezig met politiek, maar ik vond het zalig, wat die man deed.
Als iemand kunst wil maken om de kunst moet hij dat doen, maar ik
vind het wel leuk dat er daarnaast ook kunstenaars zijn die wél met
hun poten in de samenleving staan en die daardoor geraakt worden. Ik
stel met plezier vast dat er een aantal groepen en toneelspelers zijn
die het gevoel hebben dat ze dingen moeten vertellen.”
Interview: Eline Van De Voorde
Transcriptie: Diane Bal
Eindredactie: Evelyne Coussens