Datum
19 mei 2009
Plaats
Antwerpen
Bio
Sinds
het eind van de jaren zeventig is Katie Verstockt actief als professioneel
dansjournalist. Als een van de eersten in Vlaanderen richtte zij zich specifiek
op dit terrein. Momenteel schrijft ze voor het weekblad Knack en buitenlandse tijdschriften. Van 1992 tot 1995 was Katie Verstockt
voorzitter van de Raad voor Dans, een periode waarin van overheidswege
belangrijke stappen werden gezet voor de ondersteuning van de hedendaagse dans
in Vlaanderen. Daarnaast was zij onder meer adviseur voor een aantal buitenlandse
cultuurcentra en ondervoorzitter van Thersites (de Vlaamse Vereniging ter
Bevordering van de Theaterkritiek) van 1990 tot 1993.
Interview
Hoe ben jij bij het theater
terecht gekomen?
Als kind ben ik beginnen dansen. Ik ben vrij laat naar
een opleiding gegaan. Ik denk dat die opleiding de eerste belangrijke
schakel was, omdat ik terechtkwam bij An Slootmaekers. Dat was een
merkwaardige vrouw in die tijd. Zij had zelf een opleiding bij Lea Daan gehad, één van de belangrijkste figuren voor de dans in België, ze heeft de
leer van Rudolf Laban in België geïntroduceerd tijdens het interbellum. An
Slootmaekers had bij Lea Daan gestudeerd, maar is daarna in
Oostenrijk bij Rosalia Kladek gaan studeren. Dat is een aanverwante leer
waarbij men heel veel bezig is met labiliteit en stabiliteit. Dat zijn allemaal
dingen die we via haar hebben meegekregen. Maar we kregen van An Slootmaekers
ook klassiek ballet, een beetje jazzballet en dat raakte gemengd met Laban-
en Kladektechnieken. Bovendien ging zij bijna elk jaar op
reis naar Indonesië. Ze ging daar op zoek naar een andere leraar op
een ander eiland. Ze vroeg daar om de lokale Indische dansen te leren. Dat
betekende dat wanneer zij terugkwam in september, wij moesten geloven aan de
nodige oogoefeningen, handmudras en ondulatietechnieken.
We kwamen heel jong met heel diverse
danstechnieken in aanraking. Ik denk dat dat ontzettend cruciaal geweest
is voor later, ook voor mijzelf, om te gaan schrijven over dans, omdat je al
zoveel technieken geïncorporeerd hebt in je lichaam. Zowel de klassieke dans,
de Indonesische dans als de Labantechnieken voelen mij niet vreemd aan. Dat zat
allemaal in mijn lijf en dat maakt dat je later, als je nieuwe dingen moet gaan
begrijpen, makkelijker kan gaan plaatsen en aanvaarden.
Hebben er nog andere belangrijke
mensen les gehad bij An Slootmaekers?
Ik denk dat de belangrijkste leerling toch Marc
Vanrunxt was. Ik ben ervan overtuigd dat precies die lessen van An
Slootmaekers cruciaal zijn geweest in het denken van Marc Vanrunxt.
De basistechnieken van Rudolf Laban en Kladek hebben een heel belangrijke rol gespeeld
in de ontwikkeling van zijn eigen werk.
Je vergeleek haar school en opleiding
ook met Denishawn.
Aan het begin van de twintigste eeuw was Denishawn
ook een plek waar jonge dansers geconfronteerd werden met heel diverse danstechnieken.
Ik denk dat het niet toevallig is dat daar de postmoderne dans uit gegroeid is.
Die ontmoeting tussen zowel Afrikaanse dansen, Indianendansen en Oosterse
dansen, tussen zowel Japans als Indisch is heel belangrijk. De leer van François Delsarte werd daar
ook nog eens doorgeweven. Het feit dat jonge mensen geconfronteerd worden met
een grote diversiteit maakt dat ze heel vroeg al, open-minded zijn en makkelijker aan de slag gaan met nieuwe ideeën. Men heeft hen niet gedwongen in bepaalde dogma’s en
bepaalde strikte leren.
Wat waren jouw eerste
gewaarwordingen van vernieuwing binnen de dansopleiding?
Qua techniek hadden we al wel het gevoel
dat we daar verschillende dingen deden. Je mag ook niet vergeten dat An
Slootmaekers in Parijs in de jaren zestig cursussen was gaan volgen bij Merce
Cunningham. Daar zijn ook dingen van binnengeslopen in haar lessen. Ik denk
wel dat we beseften dat haar lessen bijzonder waren. An Slootmaekers
heeft zelf een aantal dingen gechoreografeerd, maar daar was nog geen sprake van
grote vernieuwing. Op één of andere manier kwam het toch niet los van de grond. In die periode, dan spreek ik over de jaren zeventig, heerste
er nog altijd een soort van vreemde paralysie in de danswereld. Paralysie is
niet helemaal juist, het was eerder een soort van artistieke stagnering. Er was
maar één God en dat was Maurice Béjart, die stond voor de vernieuwing.
We hadden het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, le Ballet Royal de Wallonie en
dan had je in Brussel het Ballet van de XXste eeuw met Maurice
Béjart. Hij was een degelijke neoklassieke choreograaf die het
klassiek idioom al voor een deel aangevuld had met de ondulaties van de
Indiërs, torso ondulaties van de Afrikaanse dans en daar nog een beetje disco
bijgevoegd had.
Inmiddels waren ze in New York, in diezelfde jaren vijftig,
zestig, zeventig de hele postmodern dance
aan het bekokstoven. Dat is totaal aan België voorbijgegaan. Terwijl er in
de beeldende kunsten voorbeelden waren van kunstenaars die het Amerikaans minimalisme
meteen hebben overgenomen in de jaren zestig en zeventig. In de muziek was Karel
Goeyvaerts een uitzondering, maar verder is het bij dans en muziek met grote vertraging naar hier gekomen. Het is maar naar hier gekomen toen een
aantal mensen een kijkje zijn gaan nemen in New York en met die impressies aan
de slag zijn gegaan. Het is een vreemd fenomeen, wij waren daar
om één of andere reden niet klaar voor. Wij hadden Maurice Béjart en dat
volstond. Ik herinner mij dat in 1978 Lucinda Childs, hét boegbeeld van
het Amerikaans minimalisme in de dans, met de legendarische voorstellingen Dance met decors van Sol LeWitt
en met muziek van Philip Glass, in Brussel geweest is. De zaal van Vorst
Nationaal was zo goed als leeg met het live orkest van Philip Glass
erbij. Het was een fenomenale voorstelling waarover enkel in één krant een heel
klein artikeltje verscheen. België had toen nog geen behoefte aan dit minimalisme. Maar daarna ging het snel, de jaren tachtig zijn een
heel belangrijke overgang geweest.
Was het een abrupte
overgang?
Neen, eigenlijk gebeurde het eerst heel subtiel. Anne
Teresa De Keersmaeker kwam terug uit New York en maakte in 1982 Face four moments of musical, door componist
Steve Reich, een duo voor haar en Michèle Ann De Mey. Dat was de
doorbraak, de grote ‘bom’ die ontploft is. Die indruk had je trouwens ook bij
de première in de Beursschouwburg. Toen de voorstelling afgelopen was, bleef
het secondelang muisstil. Op zo’n moment lijkt dat verschrikkelijk lang. Niemand verroerde, ik denk dat ze achter de coulissen
een panische angst hebben doorstaan. Stel je voor, dat je je best hebt gedaan
en dat niemand reageert. Pas seconden later brak een waanzinnig applaus los, dat
heb ik zelden meegemaakt. Ik dacht dat de Beursschouwburg ging ineen stuiken
want die was toen nog niet gerestaureerd. Mensen stampten op de grond en waren
laaiend enthousiast, het leek of het publiek dacht: ‘Ja, dat is het nu, waar we
de hele tijd op zaten te wachten!’ Dat men een beetje genoeg begon te krijgen van Maurice
Béjart was wel duidelijk. Men moest elk jaar Maurice Béjart
absorberen en daarnaast waren er niet echt veel boeiende dingen te zien. Het
was hoog tijd.
In datzelfde jaar maakte Jan Fabre zijn acht
uur durende voorstelling Het is theater
zoals het te voorzien en te verwachten was. Hij
had eigenlijk geen dansopleiding en was grafisch kunstenaar. Hij was ook
in New York geweest, had daar de kost verdiend als performer en om in die
periode nog iets te vertellen als performer moest je straf zijn. In de jaren zeventig
was het Amerikaans postmodernisme toch wat uitverteld. Alles was dan ongeveer
al gezegd in New York. Fabre schreef daar met zijn eigen bloed en verbrandde
dollars. Met dat soort dingen kon je de mensen nog choqueren in die tijd. Met
deze ervaringen kwam hij terug uit New York en maakte hij een aantal voorstellingen,
waaronder een acht uur durend stuk. Dat was een formidabele aaneenrijging van
allerhande performance situaties, beelden die totaal niet narratief waren,
totaal niet de expressie van een emotie hadden. Er zat heel veel agressie in en
het ging ook over pijn en uitputting, hoewel het daar geen directe expressie
van was. Het werd in abstracta neergezet, zonder enige context, zonder
enige verhalende oorsprong.
Was er voor jou in Vlaanderen op dat moment ook een underground zichtbaar?
Op dat moment nog niet, maar die twee voorstellingen hebben iets wakker
gemaakt bij jonge dansers. Het besef dat dit soort minimalisme van De
Keersmaeker een mogelijkheid was, terwijl het in Amerika al over zijn
hoogtepunt heen was. Op dat ogenblik waren wij daar hier hyperklaar voor. Face van De Keersmaeker sloeg geweldig
aan, maar ook de performancekunst was een succes. Ik had het al over Fabre,
maar het is niet dat we dat hier nog totaal niet kenden. Ik herinner me nog
toen ik jong was, de performances in het ICC in Antwerpen. We hebben hier Joseph
Beuys en La Monte Young gehad met hun performances. Dat was toen wel
vooral in privégalerijen en het werd enkel bijgewoond door beeldende
kunstenaars. Het dansmilieu was daar absoluut niet mee bezig.
Het was voor het eerst in de danswereld dat er
vernieuwing kwam. Plots had je een aantal dansers die zin kregen om iets uit te
drukken en kunst te maken met het lichaam. Het waren daarom geen mensen die een
professionele opleiding gehad hadden. Door de voorstellingen van Jan Fabre
en De Keersmaeker waren er plots veel meer mogelijkheden. Het werd mogelijk
om naar buiten te komen met dingen waar je al zo lang mee in je hoofd rondliep.
Tot dan had men dit niet gedurfd, omdat men ervan uitging dat er toch geen
publiek voor was. Toen ze zagen dat er wel een publiek was, is het losgebroken.
Opeens waren er overal mensen die belden om te zeggen dat ze iets gemaakt
hadden. Ze toonden dat dan in een woonkamer, in de garage, in een gekraakt
pand, in een leegstaande fabriek of ergens heel ver weg in de haven. Dan kon je
daar in de kou in de winter, zonder verwarming of verlichting, bij kaarslicht,
de meest fenomenale, bizarre, gedurfde voorstellingen gaan ontdekken.
Zijn er daar in die scène
een aantal namen die we nu vergeten zijn en die misschien toch heel
belangrijk waren op dat ogenblik?
Er zijn er heel veel verdronken onderweg. Ik denk bijvoorbeeld
aan Rosette De Herdt, een schitterende vrouw met een grote cruheid,
maar een echt podiumbeest. Dat was iemand die de wrangheid ook naar buiten kon
brengen. Dat was voor die tijd vrij nieuw. In die tijd was het eigenlijk not done om met messen en scharen langs je armen te gaan en over de grond
kruipen. Zelfs Anne Teresa kroop of rolde toen nog niet over de grond. Dat
waren zeer bizarre en gedurfde nieuwe dingen. Die vrouw heeft het niet
volgehouden.
Ik denk ook aan Maria Natali, een geweldig
vinnige danseres met een ongelooflijke energie en creativiteit in haar
improvisatiedans. Improvisatiedans is ook iets nieuw op dat moment. Met die
twee vrouwen heb je twee grote talenten die verdronken zijn. Ten eerste komt
dit door het gebrek aan structurele ondersteuning. Men had geen inkomen. Die
ene vrouw kon het niet blijven volhouden om voor de kinderen te zorgen, een
inkomen te garanderen en dan nog eens kunst te creëren. In een
choreografie kruipt toch wel behoorlijk wat tijd en je moest ook nog eens een studio
huren. In die tijd kon je nauwelijks theaters vinden die bereid waren een
studio ter beschikking te stellen voor dat soort dingen. Als je een studio
wilde, moest je die zelf betalen.
Het andere fenomeen dat een aantal mensen heeft doen
afhaken, is het totaal gebrek aan kaderen waar men mee bezig was. Noch bij de
professionele instellingen, geen enkel theater pikte hierop in, noch bij de
pers, die totaal amateuristisch niet voorbereid was op dit soort
dingen. Zij hebben een aantal mensen zo gekraakt dat ze er de moed bij verloren
zijn. Het is niet leuk als je met groot enthousiasme met je eerste broze werkje
voorzichtig naar buiten komt en dan een kopje kleiner gemaakt wordt door een
journalist die totaal niet beseft waar je mee bezig bent.
Is dat waarom je zelf over dans bent beginnen schrijven?
Neen, want ik schreef toen al. Ik ben in 1978 beginnen schrijven. Het is
eigenlijk een stom toeval geweest. De cultuurverantwoordelijke van Knack zei
dat ze een fantastische equipe voor cultuur hadden, maar nog niemand voor dans.
Die vroeg mij om iets te schrijven, omdat ik dansles volgde. Ik had wel een goede pen, maar ik voelde mij absoluut
niet bevoegd om dat te doen. Als niemand anders het doet, kan ik het
misschien voorlopig even blijven doen, dacht ik. Maar ik ben een perfectionist
en ik ben vanaf het ogenblik dat ik ben beginnen schrijven over dans ontzettend
veel op reis gegaan. Dat financierde ik zelf, omdat ik een fulltime
job had waarmee ik mij dat kon veroorloven. Ik ben meteen een aantal keer naar
New York gegaan, naar Parijs, naar Londen en Amsterdam. Ik ging niet alleen
naar voorstellingen, ik ben ook systematisch festivals gaan bezoeken, maar ik
reisde ook om literatuur te vinden. Je kon in heel België geen literatuur
vinden over de recente dansgeschiedenis, zeker niet over postmodernisme
dat nog maar net aan het uitbollen was in New York. Er was hier geen
enkele bibliotheek met dansliteratuur en het Vlaams Theater Instituut bestond nog niet.
Als een gezelschap naar België kwam, was het enige dat
je kreeg van het theater, één stencil met de titel van de voorstelling, de
plaats, de datum, het aanvangsuur en in veel gevallen de naam van de componist
van de muziek. Ik heb vaak meegemaakt dat zelfs de naam van de choreograaf niet
op die stencil stond, omdat dat ‘eigenlijk niet zo belangrijk was’.
Was het dan niet heel
bijzonder dat Knack een journaliste aanwierf, speciaal om over dans te
schrijven?
Ik denk dat het toen een
vrij progressieve redactie was. Ik herinner me dat ik een vrij grote
carte blanche kreeg. Ik mocht met de meest controversiële voorstellen aankomen,
alles werd altijd aanvaard. Ik ben hen daar zeer dankbaar voor en ik denk dat
we goed moeten beseffen dat het niet evident was in die tijd. Ik weet met
zekerheid dat Knack bedreigende brieven gekregen heeft vanuit de klassieke
ballethoek die 'vonden dat het niet kon dat een belangrijk tijdschrift als Knack
zo’n kostbare publicatieruimte gebruikte voor dit soort dingen, die eigenlijk
niks met kunst te maken hadden. Want die dansers waar Katie Verstockt
over schrijft, kunnen zelfs niet eens dansen!' Er zijn toen zelfs stappen ondernomen
naar het Ministerie van Cultuur toe om Knack onder druk te zetten. Het was zeker
niet evident dat ik toen carte blanche kreeg. Een beetje later ben ik
door de BRT gevraagd om een dansbijdrage te doen. Pol Arias was de
man die mij binnenhaalde. Ik ben hem daar zeer dankbaar voor. Elk voorstel
dat je deed, werd aanvaard. Ik haatte de naam criticus en ik haat dat nog.
Ik weet dat ik een aantal collegae uit de
theaterwereld tegen mij in het harnas heb gejaagd en dat men het met een zeker
dédain over mijn manier van schrijven had. In eerste instantie had het
enthousiaste publiek op dat ogenblik grote nood aan enige houvast, zelfs bij Anne
Teresa en Jan Fabre. Ze wilden weten waar iets vandaan kwam. Waar knoop je dat
aan vast, wat zijn de intenties? Ik ben van de overtuiging dat dat eigenlijk
de taak van de journalist is, het proberen plaatsen van de dingen. Dat plaatsen
binnen de danswereld, daar kwam je zo goed als nergens mee. Het knoopte
eigenlijk nauwelijks aan bij enige beweging uit het verleden, misschien waren
er een aantal dingen van Marc Vanrunxt waarbij je kon verwijzen naar
Laban, maar daar kwam je nog niet ver mee. Het hielp ook niet om dit terug te koppelen
naar de nog maar net gepasseerde postmodern
dance uit Amerika. Helemaal in het begin misschien wel, maar na verloop
van tijd niet meer. Je moest het eigenlijk terugkoppelen naar fenomenen uit de
plastische kunsten. Dans kwam er op dat vlak toch wel wat achteraan hollen. We
hebben echt een grote leemte gehad waarin weinig vernieuwing was.
Welke fenomenen uit de plastische kunsten
waren van invloed op de hedendaagse dans in Vlaanderen?
Ik denk eerst en vooral aan het minimalisme. Daar heeft
de dans dus een serieus inhaalmanoeuvre moeten doen. Of ook de idee van pure abstractie.
Ik denk dat je de eerste voorstelling van Anne Teresa echt
al puur minimalistisch kunt noemen vanuit die fascinatie voor structuren en ruimtelijke
evenwichtige vormen die in juiste harmonieën tegenover elkaar staan. Maar al
heel gauw merk je dat Anne Teresa teruggrijpt naar grotere complexiteit of naar
relativerende theatrale fenomenen en dat gaat escaleren. Jan Fabre zit
voortdurend op de cross-over tussen hedendaagse dans en performance. Dit kwam
natuurlijk ook voort uit het feit dat hij niet uit een dansopleiding kwam. Anne
Teresa had nog een gedeeltelijk klassieke achtergrond waar ze zich op een
gegeven moment tegen wilde afzetten. Fabre had niks om zich tegen af te zetten.
Hij had een enorme adoratie voor dat lichaam van klassieke ballerina’s en
de tekenmogelijkheden die zo’n lichaam heeft, want dat is fenomenaal. Een
ballerina kan werkelijk lijnen trekken met haar benen die tot ver boven haar
hoofd gaan. Dat kan een moderne danser niet. Door die gepunte voeten, kan je die
lijnen bovendien ook nog eens verlengen in de ruimte. Dat zijn zaken die Jan
Fabre toch al heel snel geïntroduceerd heeft in zijn danstaal.
Anderzijds lees ik bij Laermans
en Gielen dat hedendaagse dans in de jaren tachtig ook een grote afstand
nam van een dominant balletmodel in Vlaanderen. Zij vernoemen Fabre versus het
ballet, maar daar ben je het blijkbaar dan niet helemaal mee eens.
Daar waren die mensen op dat ogenblik ook niet echt
mee bezig. Ik denk dat er misschien een beetje zo’n gevoel heerste tegenover
het klassiek ballet. Voornamelijk ging het niet zozeer tegen de klassieke
technieken. Je ziet dat Fabre deze technieken al snel heeft geïntroduceerd en
ook Anne Teresa heeft het een aantal jaren later opnieuw binnengehaald.
Het ging eerder tegen het narratieve. De houding was: ‘Neen, jongens, even geen
verhalen meer, even niks meer om uit te drukken, geen gevoelens.’
Het ging ook om de leefstijl van het ballet en de mentaliteit dat je dingen moet doen zoals ze horen
gedaan te worden. Die mentaliteit werd met de grond gelijk gemaakt. Het was
veeleer de stijl: wij permitteren ons nu eens alles. Dat was vanuit een zekere arrogantie, maar het was ook
vanuit een nieuwsgierigheid. Als je je permitteert om met alles te
experimenteren, dan komen er zeker nieuwe dingen bovendrijven die interessant
kunnen zijn om een andere boodschap te brengen en om nieuwe beelden te creëren.
Men was ook niet echt bezig met de idee ‘nieuwe kunst’ te maken.
Het werd de Vlaamse Golf genoemd. Het werd als een
soort van eenheid afgeschilderd. Al vrij
gauw, tegen het eind van de jaren tachtig werd er in het buitenland gesproken van The
Belgian Wave, Le Boom Belge,… Er werden in België inderdaad een aantal heel interessante
dingen gemaakt en dat zou je dan The Belgian Wave kunnen noemen. Maar daar
hield het ook op. Er was binnenin eigenlijk zo goed als geen coherentie, die
mensen hadden niks met elkaar te maken. Integendeel, er zijn een aantal goedbedoelde
pogingen geweest om die danssector eens een keer bij elkaar te krijgen, onder andere naar
de overheid toe. Maar dat lukte gewoon niet! Je kreeg ze niet bij elkaar, ze waren er gewoon niet
in geïnteresseerd. Iedereen was zo gewend zijn eigen plannetje te trekken. Jan
Fabre stond al aan de top van de wereld. Hij werd geprogrammeerd op de grootste
festivals ter wereld en in de belangrijkste theaters. Met Anne Teresa was het hetzelfde.
Fabre repeteerde nog altijd in een bouwvallige cinemazaal. Bij Anne Teresa heb
ik in die periode nog een telefoon van onder een regenlek vandaan gehaald en
dat waren toen al gerenommeerde figuren.
Was er ook al aandacht van
de choreograaf voor de autonomie van dansers?
Ja en neen, die eerste choreografen
moesten in de marge functioneren en alles uit eigen zak betalen. Zij konden
sowieso geen geschoolde dansers betalen dus deed men het met amateurs of
vrienden. Misschien waren het wel mensen die in privéscholen een kleine
opleiding gehad hadden of hier en daar was er eens iemand die in het buitenland
wat workshops gevolgd had, maar technisch haperde dat vaak. Dat is net waar
veel journalisten en zeker dansjournalisten aanvankelijk over gestruikeld zijn.
Technisch gezien was het niveau beneden alle peil. Je moest ook vaak veel door
de vingers kijken en focussen op de artistieke boodschap die gebracht werd. Dat
was het belangrijkste: wat wil die choreograaf hier vertellen?
Mensen van het klassiek ballet waren gewoon om in
eerste instantie te kijken hoe de interpretatie, de uitvoering van een stuk is.
Het waren meestal gekende balletten en die ga je niet meer in vraag stellen. De
choreografie van Het Zwanenmeer wordt
niet meer in vraag gesteld. Nu moest men precies omgekeerd te werk gaan. Je
moest het artistieke product beoordelen en eventjes niet streng zijn op de
manier van uitvoeren. Natuurlijk gaan mensen dan ook in die mentaliteit verder
werken. ‘Ach, die uitvoering is niet belangrijk!’ Eén van de belangrijkste
statements van het begin van het Amerikaans postmodernisme was dat de kwaliteit
van de uitvoering, het vertoon van virtuositeit en van techniciteit, niet de
essentie was. Het gaat om de artistieke boodschap die je naar buiten wil
brengen. Dan maak je van je zwakte, je sterkte. Dan ga je ook gebruik maken
van de niet-technieken van je uitvoerders. Je gaat elke beweging zien als een
statement dat afkomstig is van het Amerikaans postmodernisme, hoewel het
Amerikaans postmodernisme het zelf misschien nooit zo consequent heeft
toegepast. Elke beweging werd gezien als een boeiende beweging om deel uit te
maken van bewegingskunst.
Anderzijds heeft het succes
van Anne Teresa De Keersmaeker ook te maken met het feit
dat ze professioneel opgeleide dansers gebruikte. Was haar dans vanaf
het begin makkelijk te vatten en te begrijpen?
Dat zou kunnen, ik denk dat
het er zeker mee te maken had. Haar dansen hadden van meet af aan een zeer
grote vorm van perfectie. De balletcritici gingen daar nochtans absoluut niet in
mee. Zij zijn daar meteen op afgeknapt. Je danst toch niet met wandelschoenen
aan? Je gaat toch niet zomaar op de grond rollen? In klassiek ballet was het
echt ondenkbaar dat je op de grond zou rollen, tenzij je doodvalt als je
neergestoken bent of als het ergens in het verhaal past. Maar verder is de
grond een plaats waar je niet komt.
De critici waren aanvankelijk echt niet mee. Maar
het klopt wel dat het publiek veel ontvankelijker was, want de eerste
voorstellingen van Anne Teresa hadden een zeer grote zin voor
structuur en orde. Dat maakte het toegankelijk, want heel veel andere
mensen zijn vrij snel in de chaos gedoken. Ze maakten voorstellingen waar
structuur niet zo’n primordiale rol speelde, waar het juist ging over de
non-structuur of over de extreme traagheid, waar je bijna zenuwachtig van
wordt. Daar moest het publiek ook mee leren omgaan.
Wie waren
die danscritici?
Geen! Ik was de enige die toch een klein beetje
begreep dat er hier iets bijzonders aan de gang was en hen niet de grond
in boorde. De klassieke pers haakte af. De kranten begrepen dat ze toch iemand
moesten sturen, vooral bij fenomenen als Anne Teresa en Jan Fabre die in 1982 een
grote doorbraak kenden. Daarop volgden allemaal jonge choreografen die hun werk
naar buiten probeerden te brengen en dat her en der toonden op non-conventionele
plaatsen, want er was geen enkel theater dat zijn deuren hiervoor wilde
openzetten.
In 1983 denk ik besloot Michel Uytterhoeven om
het Klapstukfestival op te richten. Eigenlijk met de bedoeling om een context
te geven aan het publiek dat die voorstellingen van De Keersmaeker en Fabre nog
niet zo helemaal begreep. Ze wilden tonen dat er inmiddels in Amerika wel al
een hele beweging aan de gang was, die aan ons was voorbijgegaan. Dat festival heeft mensen als Steve Paxton, Lucinda
Childs en Trishia Brown naar België gehaald. Dat waren alle grote
namen van het Amerikaans postmodernisme. Zo wilde men het publiek toch ergens
een referentiepunt aanreiken. Eén jaar later heeft Herbert Reymer in
Antwerpen het initiatief genomen om een klein festival te maken enkel en alleen
voor die jonge Belgische dansers die zich van overal kwamen aandienen. Herbert
Reymer heeft daar veel van zijn eigen geld in geïnvesteerd vanuit een
enthousiasme voor wat er aan het gebeuren was. Er was een podium, er was een
publiek, de mensen werden nog niet betaald, er waren nog geen gages voor de
danser en er waren ook geen productiefondsen. Iedereen die daar zijn werk kwam
tonen, had dat werk met eigen middelen gefinancierd. Je kreeg alleen de kans om
er eens binnen een iets ruimere context, met een groter publiek, mee naar
buiten te komen. Dat was het Festival van De Beweging.
Werd er door
de tussenkomst van die festivals een identiteit of gemeenschap gevormd?
Die identiteit kwam pas veel later, denk ik. Iedereen
was zeer autonoom bezig. Er was absoluut geen contact. Er was natuurlijk wel Marc
Vanrunxt, de eerste bewegingsadviseur van Jan Fabre, maar die heeft
zich al gauw losgemaakt en is zijn eigen ding gaan doen. Ik zal niet zeggen dat
er geen kruisbestuiving geweest is. Ook Wim Vandekeybus heeft lang in
producties van Jan Fabre gedanst vooraleer hij zijn eigen weg is gegaan. De meesten waren zeer autonoom. Iedereen was zijn
eigen plekje aan het zoeken. Dat zoeken neemt zoveel energie van je weg, dat je
überhaupt ook geen zin hebt in contact met de anderen.
Werd die rol overgenomen
door de kunstencentra en festivals?
Dat was pas veel later. Het
publiek in het begin kwam niet uit de dansmiddens. Het eerste publiek bestond
uit kunstenaars of architecten. Die waren gefascineerd door wat er gebeurde.
Maar binnen het dansmilieu zelf gingen de choreografen zelfs nauwelijks naar
elkaars werk kijken. Ze hadden blijkbaar niet de behoefte om te kijken waar die
anderen mee bezig waren.
Hoe heeft zich voor jou het hedendaagse dansveld gevormd?
Het begon ieder afzonderlijk en het publiek groeide
stilaan. Ik wil nog even het verhaal van die pers verder beschrijven, want het
is een schitterend verhaal over hoe onhandig een maatschappij plots kan
reageren op zo’n nieuw fenomeen. Voor de meeste kranten was algauw duidelijk
dat hun klassieke journalist het beter niet kon doen. Omdat die
gezegd had: ‘Ik weet daar echt geen blijf mee, ze rollen daar wat over de grond,
doen een beetje gymnastiek en dat is het dan.’ Als oplossing stuurden ze hun
sportjournalist ernaar toe. Dat hou je niet voor mogelijk! Die sportjournalist
zag daar mensen als Rosette De Herdt met een schaar over haar arm
inderdaad langs de grond kronkelen in bizarre houdingen. Die wist niet waar hij
het had en heeft een aantal mensen echt de grond in geboord. Dus ze zijn eerst de grond in geboord door klassieke
journalisten, dan door de sportjournalisten en dan zijn ze de job beginnen
geven aan studenten die kunstgeschiedenis gestudeerd hadden. Ik heb daar zelden
mensen gezien die het langer dan een jaar uithielden, omdat je natuurlijk heel
veel moest gaan zien om überhaupt te snappen waarover het ging. Je moest daar uithoudingsvermogen voor hebben, je
moest naar al die buitenlandse festivals gaan om het te kunnen volhouden. Dat
was dus een komen en gaan van jonge journalisten. Ik denk dat ik eigenlijk één
van de weinige koppigaards was die het wel heeft uitgehouden. Ik weet ook niet
vanuit welke drang, een soort van verantwoordelijkheidsgevoel. Je hebt een
artikel beloofd tegen een bepaalde datum en dan moet je maar naar die
voorstellingen gaan kijken en voor je het weet, ben je dertig jaar lang
dansjournalist.
Welke rol heeft volgens
jou Etcetera gespeeld in de kritiek rond dans?
Ik heb daar een dubbel idee over. De eerste critici
die met een zekere kennis van zaken in het veld kwamen, waren meestal mensen
die theaterwetenschappen gestudeerd hadden en die hadden vooral geleerd om een
voorstelling te analyseren aan de hand van het verhaal of de emoties die naar
buiten gebracht werden. De voorstellingen van Anne Teresa en Jan Fabre zijn
geëvolueerd van vrij abstract naar een vorm van danstheater.
Dat facet van danstheater werd vrij goed gecoverd door die journalisten die theaterwetenschappen
gestudeerd hadden. Met meer abstracte vormen hadden ze het duidelijk
moeilijk. Ik heb daar geen probleem mee, maar dan moet je wel professioneel
zijn en je onkunde of onbegrip durven toegeven of er op zijn minst geen
uitspraken over doen. Er zijn heel veel mensen die er voor kozen om meer
abstracte dingen naar buiten te brengen en die werden dan heel negatief
beoordeeld.
Etcetera is natuurlijk
fenomenaal geweest, alleen al door het feit dat er plots een tijdschrift naar
buiten kwam dat aanvankelijk over theater, maar ook al vrij snel ook over die
nieuwe golf van dans en van choreografen ging. Het ging met vallen en opstaan, het was een komen en gaan van journalisten. Soms dacht je: 'Die heeft het
begrepen! Eindelijk iemand die er met een grote openheid en nieuwsgierigheid
voor kiest goede informatie te geven.' We kwamen toen nog maar net uit de jaren zestig,
zeventig, waar journalisten verondersteld werden critici te zijn. Dat wil zeggen
dat je in de eerste plaats naar een voorstelling gaat kijken met een zeer
kritisch oog. Je ging kijken of die kunstenaar niet naast zijn boodschap zat of
die toch niet ergens zwakheden vertoonde. Het was bijna met de mentaliteit iets
of iemand af te maken en vanuit een soort dedain zeer kritisch en negatief
oordelen. Dat kan je doen met een politicus, dat kan je doen met technici, maar
met kunst heb je een heel andere functie.
Je hebt de functie iets duidelijk te maken naar een
publiek toe, om een context te geven. Kunstenaars van die
beginnende generatie in de jaren tachtig maakten kunst vanuit een ontzettend
grote intuïtie. Het was ieder voor zich vanuit een intuïtief gevoel dat dit hetgeen
was dat zij moesten maken. Ze grepen wel terug naar fenomenen van de plastische
kunsten of andere disciplines, maar niet in de context van de dansgeschiedenis.
Ten eerste omdat de dansgeschiedenis in de balletschool niet voldoende was om
naar terug te kunnen grijpen. In die periode hadden de studenten van de balletschool
nooit gehoord van Merce Cunningham die toch al een jaar of dertig
bezig was op dat ogenblik. Ze hadden nog nooit gehoord van postmoderne dans, dus
daar konden ze überhaupt al niet naar teruggrijpen. Daardoor had het een hoge
graad van totale vernieuwing.
Kan
je verklaren waarom dat publiek vanuit andere kunsten kwam?
Dansers vonden onmiddellijk dat deze nieuwe performers
niet konden dansen. Zo ontwikkelde een vijandigheid tussen deze twee
danswerelden. Het doet pijn om dit te zeggen, maar ik heb regelmatig studenten
van de klassieke balletscholen horen zeggen dat ze niet mochten kijken
naar Anne Teresa of Wim Vandekeybus. Kan je je dat inbeelden? Soms ging
er eentje dan toch stiekem kijken en die kwam dan wild enthousiast terug. In
die tijd had je natuurlijk, ook binnen die Vlaamse Dansgolf, wel één golfje dat
virtuositeit ging vertonen. Anne Teresa in eerste instantie, maar daarna ook Wim
Vandekeybus die afkwam met zijn virtuoze sprongen en achterwaartse spiralen
waar je kippenvel van kreeg. In 1987 is Wim Vandekeybus doorgebroken en
vanaf dat ogenblik kon je eigenlijk niet meer spreken van die mannen kunnen
niet dansen, want die mannen konden wél dansen! Maar die hostiliteit vanuit de balletwereld heeft toch
heel lang het balletpubliek, het danspubliek buitengehouden. Anderzijds waren
de beeldende kunstenaars gefascineerd door die onbevangenheid, door die
durf om met totaal nieuwe dingen naar buiten te komen die bij niets aanknoping
zochten, die echt nieuw waren.
Ik ervaar tot op de dag van vandaag dat er bij de
kunsthogescholen en academies waar ik dansseminaries mag geven, nog steeds een zeer
groot enthousiasme voor die hedendaagse danskunst is, die zijn bezig met
statische kunst: beeldhouwers, schilders,
architecten. Zij zijn ook bezig met ruimte, met beelden creëren. Maar eens zij
iets gemaakt hebben, blijft dat het ding wat het is. Daarom hebben deze mensen een
ongelooflijke fascinatie voor de kunstvorm van de beweging die voortdurend
metamorfoseert en evolueert. Je kan je creatie in de tijd laten evolueren en
dat fenomeen is iets waar een grote fascinatie voor was. Er werden misschien wel een aantal taboes weggeveegd met die
niet-conformistische ‘alles kan, alles mag-mentaliteit’. De balletten die we
toen kenden van Maurice Béjart en van het Ballet van Vlaanderen waren
allemaal nog bijzonder preuts, keurig en netjes. Ik denk dat er een noodzaak
was andere dingen aan bod te laten komen. Dan gaat het niet om een blote
borst of een blote penis die getoond wordt, maar over het
tonen van een voorstelling in de haven of in een leegstaande fabriek bij
kaarslicht. Dat was een noodzaak natuurlijk, vanwege de precaire toestand
waarin die eerste voorstellingen gemaakt werden. Er waren voorstellingen in het
pikdonker, zonder comfort en zonder een plek om te zitten of in de winter
zelfs in een gekraakt huis waar iedereen met zijn jas of zelfs met dekens
moest zitten bibberen. Toch kwam het publiek kijken, dat was op zich wel
spannend.
De lichamelijkheid daarin was niet meer echt
postmodernistisch, maar het was ook geen danstheater zoals dat van Pina Bausch.
Ik moest het op dat moment een naam geven en ik ben dat hedendaagse dans gaan
noemen, congruent aan de nieuwe tendensen in de muziek die hedendaags genoemd
werden. Zo is dat de term geworden en men is die blijven gebruiken.
Het is eigenlijk een ongelukkige term. Hedendaagse
dans, dat is dans van nu, moderne dans kon je al niet meer gebruiken, want
dat was al gebruikt, hoewel dat een even ongelukkige term is.
Waar zit voor jou het verschil tussen de Amerikaanse postmodern
dance en de hedendaagse dans?
Dat is een heel complex verhaal, want eigenlijk was de
Amerikaanse postmodern dance geen
echt postmodernisme. Het heeft die naam gekregen omdat het na de modern dance kwam. Het is heel
snel gaan splitsen in extreem minimalisme en een zeer extreme vorm van
improvisatie. Het minimalisme hield zich bezig met strakke lijnen en
mathematisch opgebouwde structuren op een architecturale manier, zuiver en op
voorhand geconstrueerd. Aan de andere zijde had je de improvisatie. Wat
hebben die twee met elkaar te maken? De term postmodern dance is eigenlijk een grote vlag die een zeer
heterogene lading dekt. Dat gaat over een periode vanaf de jaren vijftig tot de
jaren zeventig.
Het fenomeen van postmodernisme, waarbij je binnen één kunstwerk diverse
stijlen en genres met elkaar confronteert, dat kwam niet voor in postmodern dance. Lucinda Childs
ging niet improviseren in haar gestructureerde dans. Het bleef allemaal binnen
dezelfde stijl. Zij gebruikte minimalistische muziek en de structuur was
duidelijk minimalisme. Als Steve Paxton improviseerde had dat één lijn en één
manier van bewegen. Er werd één muziekstuk gekozen en geen andere.
In de jaren tachtig gaan dansers in België vrij
snel de diverse stijlen en genres elkaar laten ontmoeten binnen een werk. Om te
kijken hoe dat werkt en hoe ze botsen. Kan het mooi zijn? Kan het boeiend en
interessant zijn? Mensen als Jan Fabre en Anne Teresa De Keersmaeker
gebruiken bijvoorbeeld barokmuziek in combinatie met popsongs. Ook in het decor
werd dit toegepast. Anne Teresa liet in haar voorstelling Mozart Concert Aria’s dansers met echte barokkostuums dansen, met
brokaat en mooie geborduurde bloesjes, maar dan wel de rokken kort. Op andere
momenten dragen ze gewoon een hedendaags wit overhemd en dansen ze op blote
voeten.Die twee totaal tegenovergestelde stijlen in een voorstelling heb je nooit
gehad in het postmodernisme van Amerika.
Dus dat is de eigenheid van
de Vlaamse dans?
Ja, en je kan het ook nog verder doortrekken naar Alain Platel die
ervoor kiest om mensen zonder enige training, mensen die hij gewoon boeiend
vindt, in een voorstelling te brengen. Hij gebruikt bijvoorbeeld een
breakdancer. Dat is natuurlijk wel iemand met een bepaalde techniek en met een dansopleiding,
maar het zijn mensen vanuit diverse disciplines. Hij gebruikt een breakdancer,
een flamencodanseres, een klassieke ballerina, iemand met een hedendaagse danstraining
en een acrobaat. Je laat ze samenkomen, je kijkt wat die mensen aan
elkaar te vertellen hebben en hoe je daar iets boeiends uit kan maken. Dit soort nieuwe fenomenen typeren die Belgische Golf. Het gaat over het buiten de lijntjes durven kleuren, dingen die
schijnbaar niets met elkaar te maken hebben, durven samenbrengen. Dat lef
hebben we van James Ensor waarschijnlijk, dat zit waarschijnlijk toch wel een
beetje in het bloed.
U maakt dus duidelijk het
onderscheid tussen wat er in Vlaanderen gebeurde en de postmoderne Amerikaanse dans.
Kan je hetzelfde doen voor het Duitse danstheater en wat er in Vlaanderen
gebeurde?
Ja, precies omdat de Belgen grote stijlbreuken durfden
maken in hun werk. Men gebruikte wel de fenomenen van het danstheater. Als het
woord een bepaalde boodschap beter kon dienen dan de daad, dan de beweging, dan
werd het woord gebruikt. Die gêne om de term ‘danstheater’ te gebruiken is
totaal weggevallen. Het woord werd net zo goed gebruikt puur omwille
van de sonoriteit. Je kon een aantal fenomenen ook zozeer gaan abstraheren dat
ze puur deel gingen uitmaken van een abstract vocabularium en eigenlijk niet
meer stonden voor de theatrale boodschap die ze wilden uitbrengen. Men ging ook
van een theatraal gebeuren naar een puur abstracte geconstrueerde
minimalistische dans, allemaal binnen één dansvoorstelling. Dus die grotere
‘clash’ van diversiteiten maakte toch dat het er helemaal anders uitzag dan het
Duitse danstheater.
Zo zijn we aan de term 'hedendaagse dans' gekomen, maar het is een ongelukkige term. Die term heeft ingang
gevonden midden jaren tachtig. Al vrij gauw begon je te merken dat dit
eigenlijk nergens meer bij aanknoopte, ook bij Wim Vandekeybus en Alain
Platel. Nochtans neemt Alain Platel de mechanismen van Pina Bausch
over. Zo werkte zij bijvoorbeeld met haar dansers door hen vragen te stellen en
dan te kijken wat daar uit komt. Ik denk dat de democratie in dit proces een
belangrijk fenomeen is, dat we wel hebben overgenomen van het Amerikaanse postmodernisme.
Maar ook hier is het bij de Amerikaanse postmodernisten eerder in theorie dan
in de praktijk aanwezig. Ik denk dat deze democratie toch voornamelijk bij Alain
Platel terug te vinden is.
Het gaat over de democratie van de choreograaf
tegenover zijn dansers. Het feit dat je echt bijna niks oplegt aan je dansers,
dat je zelf als choreograaf met heel weinig vooringenomenheid een productie
binnenstapt, gewoon een aantal vragen stelt en heel nieuwsgierig bent naar wat
dat diverse zootje dat je bijeen hebt geraapt daar mee kan aanvangen.
Wat is de link tussen democratie
en improvisatie?
Dat heeft niet noodzakelijk iets met elkaar te maken.
Dat zijn creatieprocessen en in elk creatieproces heb je, dat is ook bij
klassiek ballet zo, een dosis improvisatie. Improvisatiedans als
performancekunst, zoals voornamelijk door het Amerikaans postmodernisme naar
voor geschoven, is een proces waarbij je als danser ter plekke
creëert voor de ogen van je publiek. Je bent je eigen
choreograaf. Dat betekent dat je heel goed moet beseffen welke lijnen je kan
tekenen in die ruimte, welke plek je kan innemen in die ruimte en welke
constructie je kan uittekenen in de tijdsstructuren waar je mee te maken hebt. Je
bent je eigen baas. Is dat democratisch? Het kan, het is een autocratisch
systeem waar iedereen zijn eigen baas is. Het kan ook dat er bij improvisatiedans een choreograaf is die zijn dansers bepaalde kaders aanreikt en zegt: ‘Ik
zou willen dat jullie binnen dit kader dit doen en daarbinnen krijgen jullie
die vrijheden en alle mogelijke nuances zijn welkom.’
Improvisatie is dan een
vorm van autocratie binnen bepaalde parameters, opgelegd door een choreograaf?
Het is niet altijd opgelegd door een choreograaf, een
choreograaf kan zelf ook dansen. Het boeiendste aan improvisatiedans is de spanning die
je creëert door voor de ogen van je publiek beslissingen te nemen. Het publiek
is getuige van je aarzelingen, je elans en je stroplopen. Die spanning is de
reden waarom je improvisaties doet.
Ik denk dat het toch nog iets anders is dan wat Alain
Platel bedoelde. Daar heb je echt een democratisch systeem in het creëren
van een stuk. Je bevraagt elk individu vanuit een gevoel van evenwaardigheid. Je
doet dat omdat je gelooft in de creativiteit van al die mensen, omdat je weet
dat die iets boeiends kunnen aanbrengen. De voorstelling wordt dan de optelsom
van zoveel denkende geesten als je participanten hebt.
Zie je het als een
verschil met de Amerikaanse postmoderne dans en als een analogie met Pina
Bausch?
Dat was inderdaad wat Pina Bausch deed. Ze had een soort
generositeit als maker om iedereen de kans te geven het stuk mee te maken. Dat
was een grote evolutie, want het betekende dat uitvoerders op dat ogenblik niet
enkel meer uitvoerders zijn, maar medemakers. Dat is
ontzettend belangrijk, want dat maakt dat je mensen niet alleen kiest
omwille van hun technische kunnen, maar omwille van hun brains en omwille
van hun artistieke inzichten. Op die manier creëer je vaak heel complexe
voorstellingen want ze zijn ontstaan uit heel veel creatieve breinen. Die
voorstellingen zijn dus ontzettend complex, maar wel zeer boeiend en
interessant. In dat geval is het aan de choreograaf, dat was bij Alain
Platel ook zo, om de rode draad te gaan zoeken, om die dingen bij elkaar te
brengen.
In het begin van de jaren tachtig waren er nauwelijks
subsidies en de meeste mensen hadden dus gewoon een job. Alain Platel was
orthopedagoog en is dat jarenlang blijven doen, ook toen hij al een vrij gerenommeerde
choreograaf was. Maar dat werd zwaar na een tijd. Hij had de gewoonte zijn dansers mee te laten creëren, dus kon hij al gauw zeggen: ‘Kijk, waarom zou
jij de volgende productie niet kunnen maken? Ik ben hier wel om jou te steunen,
maar jij maakt de volgende productie’. Dat maakt ook dat veel van de dansers van Alain Platel snel zelf gekozen hebben
om choreograaf te worden. Die mensen hebben het ook bijna allemaal gemaakt in
het milieu. Ze stonden al heel snel in het Théâtre de la Ville in Parijs en op
festivals her en der in de wereld.
Hans van den Broeck, Sam Lowyck, Koen Augustijnen, Abdelazis
Sarrokh, Sidi Larbi Cherkaoui, dat zijn allemaal mensen die
vanonder de vleugels van Alain Platel komen. Niet alleen artistiek hebben die
mensen hun eerste stappen kunnen zetten met een goede ondersteuning, maar ook
organisatorisch. Ook op vlak van infrastructuur moesten die zich alleszins in
hun begincarrière geen zorgen maken over het zoeken naar repetitieruimtes of over
het engageren van dansers. Dat is een vrij comfortabele situatie om zo je
carrière in te stappen. Vanaf dat moment, we zijn dan al wel bijna jaren negentig,
komt er stilaan wat netwerking.
Was deze Vlaamse Golf
beïnvloed door het gebrek aan omkadering en infrastructuur?
In de jaren tachtig was het ongelooflijk
precair. Een voorbeeld: Herbert Reymer organiseerde het Festival Van De
Beweging in Antwerpen en gaat vruchteloos aankloppen bij alle mogelijke
instanties en overheden. Op een bepaald ogenblik had het Ministerie van Cultuur
toch een beetje geld gegeven, maar de stad Antwerpen niet. Bij het tweede of
derde festival wilde de stad toch ook wat inbreng. De dag voor de opening
stopte er een grote vrachtwagen en er werden grote palmbomen uitgeladen om in
de hal te zetten om dat loftgebouw waar het festival was, van wat groen te
voorzien. Dat was de bijdrage van de stad Antwerpen! Achteraf is daar trouwens
een factuur voor gekomen. Dat is één van de straffe verhalen uit die periode. Herbert
Reymer heeft regelmatig geprobeerd om de dansscène bij elkaar te krijgen om
gezamenlijk wat actie te gaan voeren, maar je kreeg ze gewoon niet bij elkaar,
iedereen was met zijn eigen dingetje bezig. Er was blijkbaar zeer veel onwil en
ook een soort van ongeloof dat het iets zou uithalen. De enige adviseurs van
het ministerie van cultuur waren op dat ogenblik nog altijd de mensen die vanuit
klassieke hoek kwamen. Die zeiden aan de minister dat er aan deze dingen geen geld
moest gegeven worden. ‘Dat is zelfs geen dans! Dat is zelfs geen kunst!’ Er was een enorme vijandigheid en vanuit die situatie
hadden deze dansers de idee: ‘ze willen ons toch niet, we moeten er niet op
rekenen.’
Ze waren allang blij dat een aantal instanties
meewerkten. De meeste theaters deden hun deuren niet open, maar het CC van
Berchem was vanaf het begin betrokken bij de Festivals Van De Beweging. Het
Kaaitheater was natuurlijk al veel langer bezig met dit soort dingen. Het
Kaaitheater was één van de vroegste om mensen te onthalen, al van in de jaren zeventig.
Via de festivals speelde ook het Stuk een belangrijke rol. Nog later is daar nog
de Vooruit in Gent bijgekomen.
Wat was de rol van vzw De
Schaamte?
Schaamte was geen plek, het was eigenlijk een soort
collectief dat verschillende jonge gezelschappen bij elkaar bracht
waarbij iedereen rustig zijn productie kon maken. Er waren niet veel fondsen,
maar als één gezelschap aan het toeren was en toevallig een groot succes werd,
dan ging het geld in één pot. Met die pot konden anderen die nog volop in een
creatieproces waren dan weer verder. Zo werd er een grotere structuur gecreëerd
die levensvatbaar was. Als je met zoveel gezelschappen samen
bent, moet je maar één administratieve kracht hebben, maar één telefoon, maar
één faxtoestel, ... Op deze manier werden de krachten gebundeld.
Schaamte was op zich geen theater of geen plaats, maar
uit die formule zijn wel mensen zoals een Jan Lauwers, Anne Teresa De
Keersmaeker en Josse De Pauw gekomen. Dat waren zeer
interessante figuren die men, vanaf het ogenblik dat Schaamte voelde dat ze
sterk genoeg waren om op eigen benen te staan, bij wijze van spreke uit het
nest duwde. ‘Nu zijn jullie klaar om een eigen structuur op te bouwen en om
zelf autonoom subsidies te gaan aanvragen.’
Waren het dan die
organisaties, die een katalyserende rol hebben gespeeld naar de overheid?
Iemand als een Hugo De Greef, dat was de man
die Schaamte leidde, heeft zeer belangrijk lobbywerk gedaan naar het ministerie
toe. Ook Herbert Reymer van De Beweeging in Antwerpen en het Stuk in
Leuven hebben een belangrijke rol gespeeld. Stilaan gingen er toch wat mensen bij
het ministerie op de deur kloppen om hen op hun verantwoordelijkheden te wijzen,
al was het maar in hun pleidooi om wat geld los te peuteren voor hun eigen
ding. Als je dat wil doen, moet je toch tegelijkertijd dat nieuwe medium waar
je voor staat, verdedigen. Ik herinner me dat de minister van cultuur al
in de jaren tachtig wat meer progressief gezinde mensen had uitgenodigd, zoals de
directeur van het Klapstuk, Herbert Reymer en ikzelf. Jeanne Brabants
(van de klassieke ballethoek) was daar dan ook bij om een uitspraak te doen
over de gezelschappen die naar subsidies aan het hengelen waren. De discussies liepen
toen hoog op bij momenten.
Het ging over geldkwesties, maar ook over de vraag of een overheid geld mag geven aan zo’n geklungel,
aan een kunstvorm die zegt dans te zijn, maar waarvan niemand echt goed kan
dansen. Dat kwam dan uit de ballethoek en ik herinner mij dat ik toen gezegd
heb: ‘Voor het publiek dat naar deze dingen komt kijken, zal het worst wezen of
mensen kunnen dansen of niet, als ze maar iets boeiends te zien krijgen.’ Dat
was het hele dilemma, want als het dan boeiende kunst is, maar geen dans, dan
hoeft het niet van de danssubsidies af! Het was een zeer moeilijke discussie. Anderzijds
moeten we toch ook zeggen dat Jeanne Brabants een beetje later, eind
jaren tachtig, de hele dansgemeenschap opriep, ook de hedendaagse, om te eisen
dat de dansschool Mudra van Maurice Béjart niet zou sluiten. Deze school
kreeg heel wat subsidies en als ze zou sluiten, zou de dansgemeenschap dat geld
kwijt zijn. Maurice Béjart die de school leidde, was uitgeweken naar het
buitenland na onenigheid met de directie van de Munt.
Jeanne Brabants heeft de dansgemeenschap niet meegekregen. De
hedendaagse dansers zijn toen een beetje dom geweest niet mee op die kar te
springen. Het zou een gelegenheid geweest zijn om samen een strijd voor dans te
voeren en om de krachten te verenigen. Het is niet gelukt en achteraf heeft Jeanne
Brabants daar wel gelijk gekregen, want er bleek al gauw een
tekort aan techniciteit. Mensen als Alain Platel gingen al snel meer gebruik
maken van geschoolde dansers. Je voelde ook dat Anne Teresa
mensen met een goede basis wilden. Alleen een klassieke basis volstond niet, je
moest echt mensen hebben die de nieuwe taal die aan het ontstaan was, onder de
knie hadden en daar snel op konden inpikken. Die noodzaak had als gevolg dat we
op een gegeven ogenblik allemaal gezelschappen aan het subsidiëren waren, waar
bijna geen enkele Vlaming, of geen enkele Belg meer inzat. Die techniciteit werd
toch wel beter onderwezen aan de school van Pina Bausch, aan de Folkwang Hochschule, aan het Centre National de Danse Contemporaine in Angers in
Frankrijk, of in Amerika. Zo kregen we allemaal mensen die hun scholing ergens waren
gaan oprapen waar de opleidingen sneller ingepikt hadden op die nieuwe tendensen
in dans. Het was zelfs zo dat in men in sommige scholen in het buitenland
inpikte op de nieuwe tendensen in België, terwijl België zelf geen enkele
scholing had, waar er op dat moment hedendaagse dans gegeven werd. Precies op dit fenomeen gaat Anne Teresa De
Keersmaeker inspelen door opnieuw een school op te richten naar het model
van Mudra van Béjart, P.A.R.T.S. Inmiddels was er in 1993 al wel een adviesraad
voor dans opgericht bij het Ministerie van Cultuur die de budgettering en de
subsidies stilaan met veel controverse heeft kunnen laten groeien.
Werd de opleiding van Pina
Bausch gewaardeerd in die absolute beginperiode? Waren er
nog opleidingen die belangrijk waren?
Je had de Folkwang Hochschule, die tijdens het
interbellum opgericht is door Kurt Jooss en die had een grote reputatie.
Er was ook de school van Angers, dat was een groot voorbeeld voor Frankrijk,
want in de jaren zeventig in Frankrijk is het andersom gebeurd en was het de
overheid die zich bewust was van het feit dat het Franse ballet totaal
vastgeroest zat en niet meer vooruit kwam.
Daar had je toch al met iets grotere regelmaat
optredens van Merce Cunningham en Alwin Nikolais die ontzettend
veel succes had in Frankrijk. Ik denk dat Nikolais hier in België nauwelijks
twee keer geweest is, terwijl dat eigenlijk één van de meest complete artiesten
is die de twintigste eeuw gekend heeft. Nikolais was iemand die zijn
eigen elektronische composities maakte, die werkte met synthesizer en computercomposities
in de jaren vijftig! Naast één van de vroegste vernieuwers in de muziek, was
hij ook een kostuummaker en maakte hij zijn eigen zeer controversiële kostuums.
Hij had zijn eigen decor, zijn eigen filmprojectie en dan nog eens zijn eigen
choreografieën. Het was een soort van compleet artiest, fenomenaal en in
Frankrijk had hij ontzettend veel bijval.
In 1978 heeft de overheid in Frankrijk, in Angers een
dansopleiding opgericht met de bedoeling hedendaagse dansers op te leiden en
men heeft toen aan Nikolais gevraagd om die school te lanceren. Dat betekent
dus dat de vernieuwende Franse dans van de jaren tachtig meestal met mensen is
die opgeleid zijn door Nikolais en zijn medewerkers. Er was dus een sterke Amerikaanse
achtergrond in de Frankrijk. Daarnaast was Nikolais een schitterend
pedagoog, iemand die de meest actuele pedagogische systemen
hanteerde. Ik heb hem een paar keer bezig gezien en dat was iemand die
niet gewoon een techniek doceerde. Hij liet zijn dansers doen, observeerde hen
en gingen dan kijken hoe hij die sterke kanten nog kon versterken zonder zijn
eigen visie op te dringen. Er zijn uit die school van Angers geen mensen
gekomen die echt een puur ‘Nikolais-stempel’ dragen. Dat is het kenmerk van een
hele goede pedagoog. Uit de school van Pina Bausch kwamen, zeker tot in
de jaren tachtig, allemaal Bausch-kloontjes. Dat is toch een groot verschil.
Een goede pedagoog moet echt het beste uit zijn studenten kunnen halen.
Ik denk dat dat toch een les was die Anne Teresa De
Keersmaeker, bij de oprichting van P.A.R.T.S., snel begrepen heeft. Zij heeft lesgevers van bij Pina Bausch
gehaald, maar ook van bij William Forsythe die de nieuwe klassieke lijn
vertegenwoordigde en van bij Trisha Brown en de grote improvisatoren. De studenten die daar studeerden, kwamen zo met een
grote diversiteit in aanraking en toch werden ze in staat gesteld om daarin hun
eigen ding te ontwikkelen. Dat maakt dat de studenten die uit de school van
P.A.R.T.S. komen, boeiende mensen zijn die niet allemaal dansen op De
Keersmaekers wijze. Integendeel, ze exploreren allemaal een nieuw pad, deels omdat
ze het gevoel hebben dat het moet. Als je wil gerespecteerd worden, kan je op dit
ogenblik toch niks meer gaan kopiëren.
Dat was een beetje zoals in de periode na Maurice
Béjart. Dan kon je ook geen Béjart gaan maken, dat doe je niet. Een
beetje op dezelfde manier zie je op dit ogenblik heel weinig Vandekeybus,
De Keersmaeker en Fabre getoond worden.
Welke rol speelt de bredere theoretische
achtergrond die ze daarbij krijgen?
Dat is iets wat ik heel erg
waardeer aan de school van P.A.R.T.S.. Ze krijgen daar dansgeschiedenis, kunstgeschiedenis
en ook filosofie. Dat ze filosofie krijgen is zeer belangrijk zodat jonge
mensen leren nadenken over de kunst die ze willen maken in een bredere context.
Op die manier worden ze geïnformeerd over wat er zich afgespeeld heeft in de
geschiedenis binnen hun kunst, maar ook binnen andere kunsten. Je moet
inspiratiebronnen hebben, niet alleen om eruit te kunnen putten, maar ook om
naïviteiten te vermijden. Om te vermijden dat het warm water nog eens wordt
uitgevonden.
Hoe werd het publiek voor
hedendaagse dans gemobiliseerd in het begin?
Er waren geen middelen, er was nog
geen internet. Er werden stenciltjes gemaakt en rondgestuurd. Er werd mond aan
mond reclame gemaakt, af en toe eens een bescheiden affiche en als je het kon
gedaan krijgen, een radioprogramma of eens een artikel in een krant. Als je dan
geluk had was het een preview, daar konden journalisten immers weinig kwaad mee
doen, omdat het puur een aankondiging was. Veel verder ging het
eigenlijk niet.
Het is pas veel later dat theaters zijn gaan beseffen
dat er aan publiekswerking gedaan kon worden. Het was een ontzettend langzaam
proces, waarbij een aantal theaters er een gewoonte van maakten voorstellingen
te laten inleiden. Het publiek komt dan drie kwartier voor de voorstelling aan
en krijgt een inleiding op de voorstelling. Aanvankelijk zit daar vijf à tien
man, maar eens dat de mensen weten dat het er is, zie je in de theaters dat er
minstens één derde van het publiek de introducties komt bijwonen. Dat zijn
dingen die een publiek enorm binden aan de dans. Op die manier ontwikkel je een
danspubliek.
Ik hoorde je onlangs zeggen
na een voorstelling, dat je het nu allemaal al wel gezien hebt, dat je een
nieuwe vernieuwingsgolf afwacht. Heeft volgens jou de vernieuwing in dans zich
uitgeput?
Neen, neen, dat heb ik daar niet mee bedoeld. Als ik zeg
dat ik het allemaal al een keer gezien heb, dan is dat omdat ik niet meer zo
jong ben en toch het privilege gehad heb om al heel jong door mijn ouders
meegenomen te worden naar de meest controversiële voorstellingen en
performances uit die tijd. Dan spreek ik over de jaren vijftig, zestig. In die
tijd moest je als kunstenaar of performanceartiest, als je een happening maakte
of met iets wilde choqueren, tegen de schenen van de bourgeois aanstampen
die nog gewend waren om zich op te kleden met een keurig pakje en een dasje aan
om naar een voorstelling te gaan kijken. Zij hadden heel wat burgerlijke en
preutse principes. Er waren toen nog veel meer heilige huisjes af te breken dan
nu. Het ging er veel harder aan toe. Ik heb het gevoel dat alle
performances die je nu gaat zien, veel preutser en voorzichtiger zijn dan toen.
Je had bijvoorbeeld die eerste voorstellingen van Jan
Fabre waar het fenomeen pijn erg belangrijk was. De principes van Antonin Artaud
over Le Théâtre de la Cruauté zijn,
denk ik, zijn nergens zo extreem toegepast als bij een aantal Belgische choreografen.
We zien bij Fabre bijvoorbeeld twee acteurs die elkaar aanhoudend in het
aangezicht slaan tot het rood wordt, de vingers die erin blijven staan tot het zelfs paars
uitslaat en je ook aan de gelaatsuitdrukking ziet dat het echt pijn doet. Zo ga
je naar bepaalde grenzen waarbij je inspeelt op de burgerzin van je publiek,
want het is je burgerzin om tussen te komen als twee mensen elkaar staan pijn
te doen en toch blijf je zitten. Wat doet dat met je? Dan voel je je niet happy. Je zit
in een tweestrijd. Eigenlijk wil ik niet kijken naar mensen die elkaar pijn
doen. Eigenlijk heb ik zin om daar tussen te springen. Maar we zitten toch in
het theater en iedereen blijft op zijn stoel zitten. Het is die tweestrijd waar
het om gaat. Het gaat niet meer om het vertolken van gevoelens. Neen, de
gevoelens worden net opgewekt door het danstheater.
Was er naast die nieuwe soort burgerzin een nieuwe soort lichamelijkheid in de jaren tachtig?
Ik denk niet dat die burgerzin aangewakkerd werd. Je
werd gewoon geconfronteerd met een ongemakkelijkheid, maar die lichamelijkheid
was inderdaad nieuw. Mensen leden echt pijn of iemand staat tot de totale
uitputting te dansen. In Het is theater
zoals te verwachten en te voorzien was van Fabre was er iemand die ter
plekke staat te lopen tot die helemaal uitgeput is, tot je echt ziet dat die elk
moment gaat instorten. Ook hier wil je eigenlijk dat hij stopt, maar je laat
hem toch verder doen.
Die extremiteiten wekken weerzin op. Die weerzin is
een emotie die we niet gewend zijn in het theater. We zijn gewend van dansers
dat ze ongelooflijk virtuoze dingen doen met hun lichaam en daarbij ook nog
eens doen alsof dat allemaal een makkie is. Een danser mag dan bloedend op de
spitsen staan dansen, die glimlach op haar gezicht blijft onaangeroerd. Het kost
misschien ongelooflijk veel moeite om de zoveelste sprong te maken, maar je moet
toch doen alsof het je allemaal geen moeite kost. Als je daartegenover dansers
op een podium ziet die zich echt tot de uitputting werken en je ziet die
uitputting ook, is dat een totaal andere manier van communiceren met je publiek.
Je toont voor het eerst je zwakte. Je bent niet meer die bijna
bovenmenselijke balletdanser die allerhande dingen kan die niemand anders kan.
Neen, jij bent ook kwetsbaar, je lijdt, je hebt pijn en je toont dat fysieke
fenomeen van het lijden. Dat zijn nieuwe theatrale fenomenen die deel gaan
uitmaken van het nieuwe vocabularium waarmee je communiceert.
Er werd niet meer gedaan alsof, het mimetische
aspect van theater valt weg. Dat is ook het andere aspect waar Artaud
naar streefde, théâtre de la réalité. Je toont de realiteit, je toont pijn, je
doet niet meer alsof. Dat hele mimetische van de vorige eeuw valt weg. Je
brengt een realiteit op het podium die eigenlijk wel aanwezig is in het echte
leven, maar die op theater altijd in zijn hoedanigheid van mimese aanwezig was.
Die directheid is iets wat je als publiek onmiddellijk aanvoelt. Je gaat je als
mens anders opstellen in zo’n ervaring.
Geloof je dat theorieën
zoals die van Artaud een vernieuwingsgolf op gang gebracht hebben?
Ik weet het niet. Het fenomeen dat een aantal
performers opnieuw extremiteiten gaan opzoeken, is een teken dat men op zoek is
naar nieuwe sporen. Men gaat teruggrijpen naar performances van twintig en
dertig jaar geleden, men gaat zich opnieuw een kogel door de arm schieten en
opnieuw met bloed werken. Misschien vinden ze die sporen door aanknoping bij
die fenomenen van veertig jaar geleden. Dat is goed mogelijk. Ik weet het niet,
we zullen moeten kijken waartoe dat leidt. De eerste stap is in de sporen van
voorgangers treden. Misschien brengt dat ons, met alle dingen die er inmiddels
gebeurd zijn, op een nieuw spoor.
Een tweede fenomeen is uiteraard de nieuwe technologie.
Ik maak er altijd een stokpaardje van dat gebruik van nieuwe technologie te
relativeren. Het is van alle tijden dat er in de dans nieuwe technologieën
gebruikt worden. Loïe Fuller deed dat honderd jaar geleden toen die nieuwe
manieren van licht maken gebruikte. Ook Oskar Schlemmer, Alwin Nikolais
en Les Ballets Russes hebben geprobeerd nieuwe technologieën te gebruiken. Les
Ballets Suedois combineerde film met een dansvoorstelling en Jean
Cocteau heeft bizarre filmpjes gemaakt waar dans en technologie samengingen.
Het gebruik van technologie is niet nieuw. Alleen
is het wel zo dat de technologie met het gebruik van de computer veel
makkelijker hanteerbaar geworden is voor de kunstenaar. Vroeger was het zeer
complex, een film monteren moest je bijvoorbeeld al aan specialisten overlaten.
Nu kan je gewoon zelf aan de slag met videomateriaal en een programmaatje op de
computer. De toegankelijkheid van die nieuwe technologie is groter geworden en
dus is het evident dat daarmee geëxperimenteerd wordt.
Hoe belangrijk is
virtualiteit en lichamelijkheid?
Ook dat is iets van alle tijden. De lanterna magica van vroeger is vervangen
door virtuele technieken. Ik hou daar wel van, ik voel eigenlijk wel dat we nu eens heel extreem in die virtualiteit moeten gaan. Ik herinner me dat
iemand in de jaren tachtig een choreografie had gemaakt in de haven van
Rotterdam voor kranen. Schitterend! Alleen maar kranen, daar kwam geen mens aan
te pas. Kranen die naar beneden knikken, naar boven gaan, ronddraaien, op
sporen evolueren in de ruimte, ... Daar was toen ontzettend veel polemiek rond,
want als er geen danser meer aan te pas komt, dan is het geen dans! Dan moet je
weer het hele fenomeen van dans gaan herdefiniëren, want wat is dans?
Moet dans noodzakelijk lichamelijk zijn? Wat dan met die
toestanden zoals bij de Australische kunstenaar Stelarc, die nog een
extra arm heeft? Wat doet die dan? Deze arm danst wel en die dan niet! Als
ik ergens puur virtueel in de ruimte hang, is dat niet meer lichamelijk, maar
hoe zit het dan wel? Ach, als het publiek maar fascinerende dingen te zien
krijgt. Ik denk dat er met het virtuele nog bijzonder boeiende en zeer mooie
dingen te doen zijn. Dat kan in heel veel richtingen gaan: zowel naar het
zeer poëtische toe, als naar het extreem formalistische toe. Ik geloof evengoed
dat er in reactie daarop een moment zal komen dat men weer terug zal verlangen naar het puur lichamelijke dansen. Dat is een eeuwige golfbeweging. Ik
ben er heel zeker van dat je dan opnieuw, op een andere manier met dat
lichaam zal omgaan.
In welke mate zie je
institutionalisering als een belemmering voor die vernieuwingsgolf?
Dat is erg dubbel. In de jaren tachtig is er zo
gestreefd naar instituten die ondersteunend zouden kunnen werken op allerhande
niveaus, om geld en ruimtes te krijgen, om platformen te krijgen waar men zich
kon tonen en om een grotere professionalisering te hebben. Niet alleen op het
podium maar ook ernaast, de hele ondersteuning van dansgezelschappen. Dat
gebeurt nu allemaal professioneel door mensen die aan de universiteit
gestudeerd hebben. Er is bijna geen enkele choreograaf meer die zijn eigen
dossier schrijft. Dat is allemaal mooi, maar tegelijkertijd ontmoet
ik op dit ogenblik terug hele jonge mensen die erg gemotiveerd zijn om met hun
ding naar buiten te komen, maar eigenlijk nog niet klaar zijn om in die grote
bedreigende professionaliteit te stappen. Ze willen hun eigen ding doen en hun
eigen dossiertje maken, zo naïef, maar zo eerlijk als maar kan. Je kan op dit
moment nergens bij de overheid of in theater nog aankomen met een zelf in
elkaar geknutseld dossiertje. Dat is dan weer jammer, dat daardoor een aantal
echt begaafde artiesten een beetje uit de boot vallen.
Er zijn er op dit ogenblik veel mensen die op
de dool zijn en als je dan niet gelanceerd wordt door de instituten, is de
kans bijzonder klein dat je doorbreekt. Het is wel mooi dat er
zo’n vrijplaatsen bestaan, werkplaatsen waar je rustig aan een productie mag
werken, waar je soms ook nog een budget krijgt om je ding te doen en vaak ook
zonder enige verplichting. Daar hebben dansers nood aan, aan exploreren en
experimenteren. Het is erg mooi dat het bestaat, maar het wordt gevaarlijk,
zeker als die instellingen toch gaan proberen zich te moeien met het artistiek
product van dansers, wat nogal vaak gebeurt. Dan krijg je inderdaad mannen die gaan
freewheelen en die het zelf wel uitzoeken. Nu komt het weer meer vanuit de hoek
van de plastische kunsten, van de Jan Fabres van deze tijd die beeldende kunsten
gestudeerd hebben en iets met beweging willen doen. Zij
willen daarmee naar buiten komen, maar krijgen dat niet
gepresenteerd in één of ander theater en zoeken dan maar een alternatieve
ruimte. Er is weer een alternatiever circuit aan het ontstaan.
Interviewer: Lieve Dirckx