Onderzoeken‎ > ‎

2010 Nauwe Noorderhorne 16

Archeologisch onderzoek in de Nauwe Noorderhorne (nr.16)

In de Nauwe Noorderhorne (NN) nr.16 wordt in opdracht van de lijstenmaker Plantinga een nieuw pand gebouwd. Gezien de ligging, in de oude binnenstad, was de kans groot dat er hier archeologische resten aanwezig waren. Daarom hebben in het najaar van 2010 een aantal leden van het Archeologisch Steunpunt Sneek (ASP), het terrein een aantal maal bezocht om vondsten te verzamelen en documenteren.
 
 
De straatnaam Nauwe Noorderhorne komen we al in 15e eeuwse bronnen tegen, als “nara of enghe noerdhorne”. Horne betekent hoek, hierdoor krijgen we dus de nauwe (nara) of smalle (enghe) Noorderhoek. Welke verwijst naar een stadsuitbreiding aan de noordzijde van het oude centrum, rond de kerk en marktstraat. We kunnen tegenwoordig nog duidelijk zien dat de NN hoger ligt dan haar omgeving, daarom wordt deze ook wel gezien als een deel van de oude Hemdijk. Vroeger was dit hoogteverschil nog groter, met ongeveer 120cm. Op een Minuutplan van 1832 zien we aan de steeg drie kleine huisjes, welke eigendom waren van Minze Molenaar een timmerknecht. In de eerste helft van de 20e eeuw was er in het pand de firma E. Bakker een handwerkwinkel gevestigd. Later was J.B. Westerhof zijn munthandel hier gevestigd. Hierna is het pand in verval geraakt en gebruikt als koffieshop en seksclub. Over de vroegere bewoners valt niet veel te zeggen, wel weten we uit de Snitser Recesboeken (1490-1517) en de Beneficiaboeken (1543-44) dat er in de NN verschillende ambachtsmanen woonden zoals; “Frans Mesmaecker" en “Sirck Sloetmacker".
 
Het onderzochte terrein heeft een oppervlakte van ca. 90 vierkante meter, en werd in tweeën gedeeld door een ondiepe keldervloer. Deze kelder was zeer waarschijnlijk een bedstee kelder. Vroeger had bijna elk woonhuis een (verhoogde) bedstede, hieronder bevond zich vaak een ondiepe kelder. Gezien de vloertegels is deze kelder in de loop van de 18e eeuw aangelegd. Voor de kelder lagen donkere vondstrijke grondlagen direct aan de oppervlakte, de vondsten hieruit lijken allemaal van voor de 16e eeuw te dateren. Het opvallendst zijn een groot aantal vondsten, welke verband houden met metaalbewerking. Het gaat hier dan om een grote hoeveelheid sintels, smeltresten en fragmenten van smeltkroezen. Op ongeveer 70cm diepte lag een sterk organische naar mest stinkende kleilaag. Hierin werd veel puin (kloostermop), botten, aardewerk (kogelpot) en zelfs hout gevonden. Vondsten uit deze onderliggende lagen dateren allemaal van voor de 14e eeuw.

 

 

Op ongeveer twee meter achter de keldervloer werd een kuil gegraven. Hierin werden twee oude steen vloeren, en een vermoedelijke leemvloer gevonden. De bovenste en jongste vloer lijkt uit de 18e of 19e eeuw te dateren en is gemaakt van rode tegels gefundeerd op een zandlaag. Hieronder bevond zich een donker kleilaag met veel puin en houtskool welke wordt opgesplitst door een schoon en dun kleilaagje, een vermoedelijke leemvloer. Op Ongeveer 25cm diepte kwamen we een tweede vloer tegen, bestaande uit hergebruikte kloostermoppen. De sporen van metaal bewerking lijken ons iets te vertellen over de functie van de voorste ruimte, een (kleine) werkplaats uit de 15e/16e eeuw. De drie huisjes vormden vroeger zeer waarschijnlijk een geheel, van een werkplaats/winkel met daarachter een woning. Nieuw voor de binnenstad was de vondst van aardewerk scherven uit de 9e/10e eeuw. Welk aansluiten bij het vermoeden dat Sneek in de loop van de 9e eeuw is ontstaan. Maar we kunnen helaas niet zeggen of deze scherven afkomstig zijn van bewoning ter plaatse, of hier met opgebrachte grond zijn terecht gekomen. Ze tonnen in ieder geval aan dat er toen in de directe omgeving bewoning aanwezig was. Verder bevestigen de vondsten dat dit deel van Sneek in de 13e en 14e eeuw een belangrijke rol speelde, en hier naast de houten woningen van o.a. ambachtslieden ook stenen gebouwen van de lokale elite te vinden waren.