Germaans orakelstaafje tussen Dearsum en Raerd

We schrijven 4 januari 2006. Samen met mijn schoonvader loop ik over een bijzonder stukje land in de gemeente Boarnsterhim . Een half jaar eerder was de stamboom van de familie Van der Woude ter sprake gekomen. Mijn schoonvader vertelde me dat hij had kunnen achterhalen waar z’n voorouders tussen 1810 en 1960 hadden gewoond.  Op dat moment diende dat stukje land voor de akkerbouw. De familie had op deze locatie twee boerderijen bewoond. We spraken af om deze plek, na toestemming van de eigenaar te hebben gekregen, te gaan bezoeken.

We bevonden ons tussen het terpendorp Dearsum en Raerd, aan de zuidoostelijke dijk van de voormalige Middelzee. Er waren hier en in de omgeving archeologische vondsten gedaan die dateerden van vóór de jaartelling. Dit was niet zo verwonderlijk omdat we ons op de rand van één van verschillende terprestanten uit de midden ijzertijd bevonden. Deze huisterp heeft men gedateerd rond 500 – 250 v. Chr. en heeft een hoge archeologische waarde (afbeelding 1).

afbeeding1: Rode stip: markering vd terp. Blauwe stip: de 1e Friese boerderij.

We verplaatsen ons terug naar de 19e eeuw. D.S. Van der Woude (1785-1840), de eerste van vier generaties , huurde

de Friese boerderij met landerijen vanaf 1810 van Valerius Lodewijk Vegelin van Aaerbergen. Hij was grietman (burgemeester) van Haskerland met als woonplaats Joure. Later werd de oude boerderij verhuurd door een freule uit Holland. De eerste boerderij werd afgebroken in 1880. De niewe boerderij (kop-hals-romp) kwam ongeveer 100 meter verder op te staan en werd gebouwd op eerder genoemde terprestant langs de Snitserdyk. Deze boerderij staat daar tot op heden nog steeds.

Terug naar 4 januari 2006. De akker was deze dag erg nat en de meeste stukken stonden onder een laagje water. Een gebied achterin liet de funderingsresten zien van de oude Friese boerderij. Scherven en geeltjes liggen gecentreerd rond de restanten van de boerderij en bevestigen grotendeels de periode waarin de familie had geleefd. We verzamelden los van deze plaats scherven uit verschillende tijdsperioden. Ook diverse gespen, knoopjes, verschillende duiten en een religieus hangertje werden uit de grond opgepiept met de detector. Allemaal nog van een goede kwaliteit. Voor mijn schoonvader was dit een bijzonder moment. Mogelijk hadden zijn voorouders deze gebruiks- en siervoorwerpen ooit in en rond de oude Friese boerderij gedragen of gebruikt.

Ik had in de tussentijd niet stilgestaan en had me verplaatst naar de rand van de terp aan de Snitserdyk. Divers terpenaardewerk lag gecentreerd langs de zijkant van de terp. Dit specifiek herkenbaar aardewerk had ik op het overige deel van de site nog niet gevonden. Mogelijk was dit tijdens de opgraving op een bult gegooid wat gebruikelijk was voor die tijd. De terp zelf was rond 1882 afgegraven. De vruchtbare terpenaarde werd met behulp van kipkarren op rails naar de Zwette toe verplaatst. Hier lagen skûtsjes klaar om de grond af te voeren naar Drenthe. Uit de archieven heb ik kunnen achterhalen dat tijdens deze afgraving een aantal complete potten zijn gevonden. Deze zijn overgedragen aan het Fries museum. Het overige materiaal is later ondergebracht in het archeologisch depot van Nuis waar het nog steeds ligt. Het was inmiddels wel duidelijk dat vanaf de midden ijzertijd met een onderbreking in de 4e-5e eeuw (de volksverhuizing) een vrij constante bewoning was geweest in deze omgeving.

De plek was dermate interessant om naar terug te keren. We schrijven 4 april 2009. Ruim drie jaar later bevond ik mij wederom aan de rand van de terp. Het was vandaag erg mistig. De grond was in tegenstelling tot de laatste keer droog. Vandaag zou ik met een paar metaalvondsten een flinke sprong terug maken in de tijd. Het begon met een aantal Friese Oorden uit de 17e eeuw en een mooie koperen gesp versierd met bloemmotief uit de 18e eeuw. Een Karolingische schijffibula kwam te voorschijn (mantelspeld uit de 8e-9e eeuw). Los van de naald was deze nog helemaal compleet. Een mooie vondst. Een half uur later haalde ik een klein maar toch zwaar cilindrisch voorwerpje uit de grond. Het materiaal was eveneens brons. In eerste instantie had ik geen idee wat dit moest voorstellen, en met de regel dat er niks weggegooid wordt, nam ik ook deze vondst aan het eind van de dag mee naar Bolsward. Een paar dagen later las ik in een artikel over mogelijke orakelstaafjes uit de Germaanse periode. Het object dat ik had gevonden, vertoonde sterke overeenkomsten met afbeeldingen uit het artikel. Al gauw werd duidelijk dat het inderdaad een dergelijk staafje betrof. Amateurarcheoloog Sjoerd Hoogenkamp (regio Stellingwerven) bevestigde dat het inderdaad ging om een zogenaamd orakelstaafje (afbeelding 2).

afbeelding 2: Op de achtergrond een aantal scherffragmenten en een fragment van een standvoet beker uit de terpentijd.

De klok werd van de 8e-9e eeuw n. Chr. teruggezet naar de 1e eeuw v. Chr. tot en met 5e eeuw n. Chr. Reden voor mij om deze vroege metaalvondst nader uit te lichten. Het artikel omschreef dat dit soort staafjes soms in nederzettingen werden gevonden (mogelijke terpengebied aan de Middelzee), frequenter bij handelsplaatsen, cultus- en offerplaatsen. De staafjes zelf schijnen als een soort lot, een beslissingshulp in moeilijke persoonlijke situaties gediend te hebben. Bij de Germanen waren het hoofdzakelijk vrouwen die zich met orakelen bezig hielden. Dit verklaart misschien dat deze vondsten voornamelijk in vrouwengraven zijn gevonden. Een ander gegeven was dat ze in deze graven altijd in paren zijn gevonden. Ze zijn altijd van gelijke grote. De één is onversierd, de andere versierd. Voor zover duidelijk werden de staafjes tijdens gebruik gezamenlijk geworpen. Op basis van de ligging werd het orakel geraadpleegd. Ook de Romeinse geschiedenisschrijver Tacitus (54-117 n. Chr.) deelt mee dat de Germanen bepaalde tekens in staafjes krasten (hout/metaal), die vervolgens geworpen werden en als orakel dienden. Er zijn ongeveer 14 verschillende versieringen bekend op zowel de kopse kant als ook de zijkant van de staafjes. Er bestaan vijf basisvormen: A: lang cilindrisch, B: kort cilindrisch, C: kort concave, D: kort convex en E: lang halfcilindrisch met D-vormige doorsnede. A, B en C komen in ons land het meeste voor. Het exemplaar wat ik had gevonden is type B, kort cilindrisch. Het staafje is gemarkeerd met een versiering (kruismotief) op de kopse kanten. Het bronzen staafje heeft een lengte van 3,5 cm en is gegoten. Het hoogtepunt van het gebruik van dit soort staafjes lijkt rond de 3e eeuw n. Chr. te liggen. Het aardewerk wat ik bij de terp heb gevonden, dateert tussen 1e eeuw v. Chr. en 3e eeuw n. Chr. Mogelijk kan dit staafje op basis van dit terpenaardewerk rond deze periode iets nauwkeuriger worden gedateerd. De vondstfrequentie is moelijk te zeggen. In Duitsland staan ongeveer 160 staafjes geregistreerd. De aantallen in Nederland liggen waarschijnlijk hoger. U kunt het gevonden orakelstaafje naast alle andere vondsten uit omgeving Sneek bewonderen in één van de vitrines van ons archeologisch steunpunt gevestigd in de bibliotheek van Sneek.

Danny Velting

 
 
 
 
 
 Danny Velting